Sponsorbelangen jagen beste skiërs de gletsjer op

SÖLDEN, 1 NOV. Ze suisden toch ècht over die Tiroolse piste, 's werelds beroemdste skiërs. En iedere aanwezige kon de helden van dichtbij bewonderen. Maar de zesduizend toeschouwers in het Oostenrijkse Sölden raakten niet opgewonden door Alberto Tomba, Marc Girardelli of Kjetil Andre Aamodt. Zelfs niet toen de speaker hen om meer enthousiasme vroeg. De in bonte pakken gehulde, gebruinde kijkers leken verdoofd.

Kwam het door de schoonheid van de omgeving? Het strijdtoneel van de reuzenslalom - zaterdag en gisteren (bij de vrouwen) de opening van de reeks om de Wereldbeker - kon niet mooier: een verblijf op de door de felle zon verlichte, ruim 3.000 meter hoge Rettenbachgletsjer was hemels, adembenemend.

Een Wereldbeker-wedstrijd op een gletsjer. Marc Hodler, de voorzitter van de Fédération Internationale de Ski, omschreef die primeur als “het begin van een nieuw tijdperk”. Hodler en zijn bond waren tot het FIS-congres van afgelopen lente nog tegenstanders van krachtmetingen op die “ijsbergen”. Ze hadden zich laten overtuigen door milieubeschermers: Niet de skiërs, zo meldden die steeds, plegen eventueel een aanslag op dat steeds zeldzamere prachtige natuurgebied, maar de duizenden mensen die naar de toppers komen kijken. Vanwaar die plotselinge ommezwaai van Hodler en de zijnen? Duidelijk is dat de FIS - de bond heeft het ook op andere fronten moeilijk - eenvoudig is bezweken onder de druk van de ski-industrie, die per jaar ongeveer zestig miljoen gulden in de sport investeert. En sponsors wil is wet.

Het verhaal is simpel: de door de recessie getroffen geldschieters willen hun rendement uit de reclame verbeteren. Het is in hun ogen belangrijk dat de tv-kijkers bij het maken van hun traditionele boodschappenlijst voor de feestdagen van december nu al via het scherm aan de ski-produkten worden herinnerd. Het Wereldbeker-circus moet dus gewoon een maand eerder beginnen dan voorheen. Maar aangezien er in Europa zo vroeg in het jaar nergens genoeg sneeuw ligt om wedstrijden te op touw te zetten, koos de FIS voor een gletsjer. In Sölden was men dolgelukkig, want het op 1300 meter hoogte onder de 'Rettenbach' gelegen dorp is al sinds 1975 bezig een Worldcup-ontmoeting in huis te halen.

Telkens was het antwoord negatief. “En dat kwam hard aan”, verzekert Patrick Lang, de perschef van de FIS voor Wereldbeker-aangelegenheden. “Met name omdat Sölden zo veel doet voor deze sport. Het geeft talloze landenploegen de mogelijkheid te trainen op de gletsjer, waar door de eeuwige sneeuw ook 's zomers kan worden geskied. En dat alles tegen schappelijke vergoedingen.” Wellicht om zijn erkentelijkheid voor het groene licht van de FIS te betuigen is Sölden bij de reuzenslalom van het afgelopen weekeinde dan ook royaal geweest met het prijzengeld: voor de eerste drie was dat samen tachtig mille, terwijl de FIS als minimum 24.000 gulden voorschrijft.

Sölden, gelegen in het Ötzi-dal, is niet bevreesd voor milieu-problemen als gevolg van het ski-gala. “De regels van de Oostenrijkse overheid zijn heel streng”, zegt een lid van het organisatie-comité, “men let op alles.” Patrick Lang geruststellend: “Bij het prepareren van de piste zijn geen chemicaliën gebruikt, alleen maar water.” Van de Ötzi-dalbewoners mag Sölden een blijvertje worden in de Worldcup-reeks. Een wedstrijd levert immers veel publiciteit op en volgens de statistieken is negentig procent van de regio afhankelijk van toerisme. Dat de gletsjers in de afgelopen vijfduizend jaar nooit zo klein waren als thans, deert hen blijkbaar niet.

Of Sölden een vaste plaats binnen de Wereldbeker krijgt, hangt mede af van de vraag of het circuit volgend jaar wordt beperkt. Deze winter staan er liefst tweeënzeventig rennen op het programma, bij de mannen en vrouwen verdeeld over de onderdelen slalom, reuzenslalom, afdaling, Super G en de combinatie. Daar komen dan nog het WK en de Olympische Spelen in Lillehammer bij. Zelfs de FIS is ervan overtuigd dat de rij te lang is, dat er te veel kampioenen komen die daardoor minder herkenbaar zijn. Lang: “Het is de bedoeling dat het aantal evenementen wordt teruggebracht van vierendertig naar achtentwintig.”

In de skiwereld is een ieder benieuwd of de plannen ook doorgaan. De FIS heeft al eerder ideeën in die richting geopperd, maar ze nimmer ten uitvoer gebracht. Het liefst laat de bond alles bij het oude, zo ook op het gebied van de doping die, verkondigde ze lange tijd, volgens haar in deze sporttak niet voorkomt. Er zijn skiërs die daar anders over denken. Alberto Tomba, bijvoorbeeld. De Italiaanse held liet zijn conditietrainer Girogio d'Urbano vorige week tegen het persbureau Associated Press zeggen dat hij de geweldige spierontwikkeling van de benen van sommige concurrenten wel heel abnormaal vond. Namen noemde hij niet. De Noorse bondscoach Dieter Bartsch reageert met: “Ik weet niet wat erachter zit, maar met die woorden zijn we geraakt. De sfeer voor Lillehammer is verstoord, de Noorse mensen zullen ons vragen stellen.”

Bartsch stelt dat de dikke bovenbenen van zijn skiërs het logische gevolg zijn van acht à tien uur per dag intensief trainen. “Laat de anderen dat ook maar eens doen, dan gaan ze misschien op mijn jongens lijken.” Hij herinnert eraan dat de Noorse top dit jaar al zes keer tijdens de oefeningen door een speciaal Noors medisch comité op doping is gecontroleerd. Opmerkelijk is dat Tomba dergelijke tests niet één keer heeft ondergaan. Overigens, in Sölden riep de FIS vijf deelnemers op voor het dopingonderzoek: de eerste drie en twee via een loting. Het zal snel duidelijk worden of de artiesten hun verrichtingen op de wonderschone Rettenbachgletsjer puur op eigen kracht leverden.

    • Guido de Vries