Afkeer van het parlement

Deze week slaat het parlement de hand aan zichzelf. Dan wordt een begin gemaakt met de behandeling van de rapporten die de vernieuwing van onze politieke en bestuurlijke stelsel tot onderwerp hebben. De oogst aan voorstellen is totnogtoe mager: verkiezing van de burgemeester door de gemeenteraad, een voorzichtige vorm van volksraadpleging en dergelijke. Die onwil om met verdergaande ideeën te komen is begrijpelijk als men de houding ziet waarmee de belangrijkste van de zes commissies, die onder leiding van Jan de Koning, de feilen van de democratie schetst.

Zo schrijft een meerderheid van de commissie in Het bestel bijgesteld: “... noch de opkomst bij (Kamer)verkiezingen, noch het stemgedrag van de kiezers duiden op het ogenblik op een meer dan normale afstand kiezers-gekozenen. Malaisegevoelens zijn niet beperkt tot Nederland en lijken hier eerder geringer dan elders.” Dat is allemaal moeilijk te weerleggen, maar zou er niet meer te zeggen zijn over het onbehagen in de democratie?

Als we even aannemen dat 'de' kiezers een redelijk vertrouwen hebben in hun vertegenwoordigers - hoewel dat maar moet blijken het komende voorjaar - dan nog is het twijfelachtig of de gekozenen wel zoveel vertrouwen in zichzelf hebben. En verder kan men zich afvragen of de ondernemende en culturele bovenlaag van ons land nog wel enige affiniteit heeft met het parlement. Daar liggen problemen die zijn gemist door de commissie-De Koning.

De socioloog Dick Pels schrijft in zijn studie Het democratisch verschil: “Anders dan vele brave democraten veronderstellen, zijn elite en democratie geen onverzoenlijke grootheden, maar veronderstellen zij elkaar wederzijds; elitevorming is het onmiskenbare complement van democratische representatie.” En men zou kunnen toevoegen: ook in een tamelijk egalitair land als Nederland is het vertrouwen van deze elite in de volksvertegenwoording van wezenlijk belang. En daaraan schort het momenteel.

Zo is het duidelijk dat in kringen van het bedrijfsleven een lage dunk overheerst ten aanzien van het parlement. Wisse Dekker, de vroegere president-directeur van Philips, is daar een veelzeggend voorbeeld van. Het liefst ziet hij zo snel mogelijk een zakenkabinet aantreden, met als stilzwijgende gedachte dat in het bedrijfsleven zoveel daadkrachtiger wordt bestuurd. Op dat laatste valt inmiddels heel wat af te dingen, maar daar gaat het hier niet om.

Gesteld voor de vraag wat hij zou doen als premier, zegt Dekker: “Ik zou duidelijk stellen dat we in Nederland in een crisissituatie leven en dat we niet zo door kunnen gaan. Ik zou met mijn vakministers een plan uitwerken dat daar verbeteringen in aanbrengt. En dan zou ik zeggen: het parlement, daaraan moet je inderdaad verantwoording afleggen. Maar laat dat zich een jaar of drie stilhouden en de kans geven aan de ministers om de zaak te regelen” (de Volkskrant, 21 september 1991). Gelukkig is er nog iemand die in de maakbare samenleving gelooft.

Met de cultuurdragers van ons land staat het er wat de opinie over het parlement betreft niet veel anders voor. In de academische wereld bij voorbeeld zijn de opvattingen over het politieke bedrijf vrijwel zonder uitzondering laatdunkend. Dus is niemand verbaasd als de Leidse hoogleraar Wesseling op deze pagina de CDA-fractie als 'een zompige massa' omschrijft of zijn Amsterdamse collega Stuurman in De Groene Amsterdammer verhaalt over de volksvertegenwoordiging die voor driekwart uit 'oliebollen' zou bestaan.

In literaire en journalistieke kringen zal het oordeel niet veel toegeeflijker zijn. Een mooi voorbeeld vormt de laatste roman van H.J.A. Hofland, Een man van zijn eeuw. Het intens slechte karakter van de politicus Evert Drijver, die bij wijze van gerechtvaardigde straf ook nog eens blind wordt, is een opstapje naar een krachtig oordeel: “Dat is het geheim van politici: we staan ze graag toe, van alles en nog wat van plan te zijn en dat in hun rare taal bekend te maken zolang we ons er maar niet aan hoeven te storen en zolang ze ons in onze halfheid met rust laten. Daarom worden ze gedoogd. Niet om hun schitterende denkbeelden en hun hoogstaand familieleven, maar omdat ze onze bijval willen voor hun werk dat ons niets kan schelen, om ons in ruil daarvoor in het genot van onze slome gemakken te laten.”

Ooit koesterde Hofland een oprechte weerzin tegen de politieke elite die het land bestiert. Dat was de tijd van Tegels lichten. De woede waarop dat boek drijft is oprecht, omdat het verlangen naar een betere elite erin doorklinkt. Nu is dat motief allang niet meer voorhanden. Hofland komt niet verder dan een vermoeide vraag: “Zouden we betere politici kunnen hebben?” Het al even vermoeide antwoord luidt dat 'het bewijs daarvoor nooit zal worden geleverd'.

Het gaat hier minder om de waarachtigheid van dergelijke uitlatingen. Van belang is dat de ondernemende en denkende bovenlaag in ons land met minachting kijkt naar het parlement en dat zegt iets over het wel en wee van de democratie in Nederland. Nu kan men tegenwerpen: maar sprak Multatuli niet al over leden van de Staten Generaal als 'parmantige vodden'? Hoort deze minachting niet bij de goede omgangsvormen in een democratie? Sterker nog, komt de democratie niet pas echt in gevaar als intellectuelen en ondernemers de lof gaan zingen van de volksvertegenwoordiging?

Zulk een luchthartig oordeel veronderstelt een hoge maatschappelijke stabiliteit en aanzienlijke burgerlijke vrijheden. Zolang die gewaarborgd zijn kan men met Hofland zeggen: “Alles wat we 'politiek' noemen, beschouwen we zoals het weer: het lot dat zich bij ons altijd voltrekt in een gematigde vorm.” Echt noodweer komt in Nederland toch niet voor, lijkt hij te zeggen. Zou het echt?

Zolang de uitruil van welvaartsbehoud en machtsbehoud tussen kiezers en gekozenen vlekkeloos verloopt, is dat opgewekte oordeel misschien vol te houden. Maar die tijden lijken voorbij en de 'slijmbeschaving' waar Hofland zo over klaagt zou wel eens snel kunnen veranderen in een rauwere maatschappij. Luister maar naar de burgermeester van Lelystad, die op een doordeweekse avond zomaar alle verplichtingen aangaande de toelating van asielzoekers wegwuift.

Een dwingende aanwijzing voor aanhoudende depressies is dat de volksvertegenwoording nogal aan zichzelf twijfelt. In de inleiding van het rapport van Deetman cs., dat al het zelfonderzoek heeft ingeluid, vallen termen als 'kwaliteitscrisis' en 'legitimiteitscrisis'. De fractievoorzitters beschrijven zelf de desoriëntatie van de parlementaire politiek. Het komt niet vaak voor dat mensen en plein public zo'n scherp oordeel over zichzelf vellen.

Er is enige afstand voor nodig, die De Koning blijkbaar niet heeft kunnen opbrengen, om dit gegeven op waarde te schatten. Als de politieke voorlieden steeds minder in de effectiviteit van hun eigen werk geloven dan is er iets aan de hand. Het is wel zeker dat ongeacht de samenstelling van het parlement het gevoel van onzekerheid, dat zich meester heeft gemaakt van de politieke klasse zal voortduren. Dat gebrek aan richting komt voort uit een samenleving die in hoog tempo wordt omgewoeld en sinds 1989 nog eens extra onoverzichtelijk is geworden.

Wie de honende opvattingen over de volksvertegenwoordiging tot zich laat doordringen, krijgt niet het idee dat deze critici vinden dat er iets op het spel staat. Toch belooft deze minachting niet veel goeds, zeker als deze gepaard gaat met een diepe twijfel van de parlementariers aan hun plaats onder de zon. Mocht deze houding zich vastzetten, dan zal de afkeer van het parlement een snel zinkend cultuurgoed blijken te zijn. Op dat moment is de sussende toon van De Koning achterhaald.