'Acteerleeuw' Jules Croiset viert jubileum; Kean vol overgave gespeeld

Voorstelling: Kean van Alexandre Dumas in de bewerking van Jean-Paul Sartre door het Haarlems Toneel. Vertaling: Renée du Bois; decor: Robert Broekhuis; regie: Paul Cammermans; spelers: Jules Croiset, Bernhard Droog, Marianne Vloetgraven e.a. Gezien 30/10 Stadsschouwburg Haarlem. Tournee t/m 1/3.

Groter dan groot willen acteren, ontstijgen aan elke menselijke beperking, brullen als een leeuw of fluisteren als een beekje: dat is de droom van elke toneelspeler die denkt aan het 'echte' toneel. Een achterhaalde droom is het zeker niet, bleek zaterdagavond in de Haarlemse Stadsschouwburg waar Kean van Alexandre Dumas in première ging, geschreven in 1836 en ruim een eeuw later bewerkt door Sartre.

Ik heb nooit een 19de-eeuwse première bijgewoond, toch waande ik me terug in die tijd. De uitbundig gekostumeerde voorstelling had iets van een welbewust amateurisme, vol maniertjes, knipogen naar het publiek en uitbeelding van typetjes. Hiertegenover stond Jules Croiset in de titelrol, die als Kean zijn veertigjarige jubileum als acteur vierde.

Als we de operette-achtige nevenintrige van Kean terzijde laten (maskerades, minnaressen achter geheime deuren en in kasten), dan is het stuk niets anders dan een dramatisch excuus om de hoofdrolspeler te laten schitteren in tal van creaties. De naam is ontleend aan de acteur Edmund Kean die in het begin van de vorige eeuw de beroemdste Shakespeare-vertolker van zijn tijd was.

Voor Edmund Kean bestaat het verschil tussen de werkelijkheid in het theater en die daarbuiten niet. Hij leeft in de schijnwereld van de illusie. Alleen onder de kunstmatige zon of maan van de schouwburg kan hij excelleren; bordpapieren decorstukken zijn hem dierbaar, van toneelwhisky wordt hij dronken. Om de huwelijkse staat geeft hij niet, wel om vrouwen voor een nacht. Daarna stuurt hij ze, als Ophelia, naar het klooster of terug naar hun wettelijke echtgenoot. Hij bezit wat niet van hem is. Uiteindelijk stort zijn uit leugens opgetrokken bouwwerk in elkaar. Het lijkt een vermaning van Dumas/Sartre: dubbele levens zijn onleefbaar.

Met geen andere hoofdrol dan deze had Jules Croiset zijn jubileum kunnen vieren. Zelf heeft hij herhaaldelijk verklaard nauwelijks onderscheid te kunnen maken tussen zijn artistieke en persoonlijke drijfveren. Eenmaal verdwaald in deze schemerwereld ontvoerde hij zichzelf terug als protest tegen de opvoering van Fassbinders mogelijk antisemitische toneelstuk Het vuil, de stad en de dood. In deze eigenmachtige enscenering was Croiset zowel het slachtoffer als de dader. Tussen die affaire en nu zijn inmiddels zeven jaar verstreken.

Een schuldbekentenis is Croisets rol niet geworden. Hij probeert, soms bombastisch en soms ingetogen acterend, de verwarring van het toneelspel uit te beelden. Ben ik Kean die hier voor het voetlicht staat? Ben ik misschien Jules Croiset? Of helemaal niemand?

Het is voor mij een vreemde gewaarwording om binnen enkele jaren tweemaal Kean te zien, eerst door Maatschappij Discordia met Jan Joris Lamers in de titelrol en nu door een zo anders geaard gezelschap als het Haarlems Toneel. Van Discordia is bekend dat ze de theatrale illusie telkens doorbreekt. Een van haar middelen is het spel tot niets te reduceren in een extreem doorgevoerd naturel. Jules Croiset en zijn medeacteurs, geregisseerd door Paul Cammermans, pakken het anders aan. Alle gebaren en gebaartjes komen, om het oneerbiedig te zeggen, uit de oude doos. De actrices kirren koket, ze hebben de nadrukkelijke dictie van het aangeleerde spreken. Hun speelstijl komt van buitenaf, in de trant van: 'Ben ik nu gevoelig?' Het heeft iets merkwaardig ontroerends, kinderlijks bijna. Wie er niet van houdt, moet niet gaan kijken. Naast Croiset vertolkt Bernhard Droog een zorgvuldige rol van knecht en duvelstoejager. Zijn ironisch gespeelde dienstbaarheid voedt het genie Kean.

Jules Croiset is de laatste retoricus van het Nederlandse toneel. Zoals hij zijn rol van Kean opbouwt, is exemplarisch voor zijn speelstijl. In onophoudelijke afwisseling gaat hij van uitvergroting van zijn emoties naar verkleining. Hij is een uitbundig expressie-artiest, net zoals Kean dat geweest moet zijn: weende hij, dan weende de schouwburg. Wanneer Croiset acteert, dan is het of een enorme reserve aan energie losbreekt. Hij rent heen en weer over het podium in een staat van voortdurende verliefdheid en gesuggereerde verwondering over zijn eigen acteervermogen. Het decor waarin hij zich beweegt, is helaas al te lelijk; staanders van gestileerde slangen waartussen plastic is gespannen. Hoewel het me in een aantal scènes voor de pauze moeite kostte te geloven in het jonglerende acteren van Jules Croiset, raakte ik gelukkig na de pauze, toen de toon intiemer en kalmer werd, het acteerbeest was uitgeraasd, meer en meer geboeid.

Zoals je in de concertzaal klavierleeuwen hebt, zo heb je in de schouwburg acteerleeuwen. Jules Croiset voegt zich met overgave in die traditie. Kean is dankzij hem tot een voorstelling geworden die waarde heeft.