Zachte aanpak van drugs is geslaagd en verdient steun

Onder de titel 'Nederlands drugbeleid niet uniek, noch succesvol' ventileerde Jan-Willem Gerritsen op de opiniepagina van 7 oktober forse kritiek op het Nederlandse drugbeleid. Het is juist dat Nederlandse beleidsmakers en onderzoekers The Dutch approach niet altijd even genuanceerd in het buitenland aan de man brengen, maar het gaat te ver het Nederlandse beleid af te schilderen als onsuccesvol en nauwelijks verschillend van dat van andere landen. Indien men een dergelijk beleidseffect wetenschappelijk wil onderzoeken, is het van essentieel belang waar men het vergrootglas op richt. Hier toont zich een aanzienlijke beperking van Gerritsens analyse, welke zich slechts beperkt tot twee aspecten van de zogenoemde 'heroïnestructuur' - enerzijds, de hulpverlening aan problematische heroïnegebruikers en, anderzijds, een algemene bespreking van het internationale kat- en muisspel van drughandel en bestrijding. Dit laatste kan natuurlijk geen maatstaf zijn voor het Nederlandse drugbeleid dat toch vooral een binnenlandse aangelegenheid is, terwijl een analyse van de categoriale drughulpverlening (DHV) slechts relevant is in relatie tot dezelfde 'gemakkelijke en praatgrage onderzoekspopulatie' waaruit, inderdaad, het gros van de onderzoekers gemakshalve put.

Gerritsens analyse van de DHV legt een vinger op de zere plek. Het op problematische heroïnegebruikers gerichte methadonmonopolie, is verworden tot een corpulente, door de meeste consumenten als beknellend en infantiliserend ervaren sociale controlestructuur. Management, automatisering en registratie lijken hogere doelen dan het verlenen van praktische gezondheidszorg en sociale hulpverlening. De sector wordt geplaagd door onvoldoende kennis op het gebied van druggebruikpatronen, HIV en gezondheidsvoorlichtingsmethodieken. Motivatie en arbeidssatisfactie van drughulpverleners zijn beperkt. Belangrijke ontwikkelingen - zoals de opkomst van cocaïne en crack (de rookbare basis van cocaïne) - worden onvoldoende opgepikt. Het DHV-kartel heeft tevens de preventie van HIV/Aids in deze populatie gemonopoliseerd, maar bereikt dagelijks minder dan 40 procent van de gebruikers. Door (morele) terughoudendheid bij het bespreken van seksualiteit en druggebruik bereiken de preventieve activiteiten nauwelijks het niveau van het betuttelende 'deel geen spuiten en gebruik een condoom'. Een grondige kosten-batenanalyse van deze miljoenen-industrie zou zeker aantonen dat hier sprake is van een situatie vergelijkbaar met de Nederlandse mijnbouw vlak voor Den Uyl ingreep. Helaas, typisch Nederlands, externe evaluatie is een rariteit in dit veld.

De cruciale factor in de Nederlandse aanpak is dan ook de van het buitenland afwijkende strafrechtelijke aanpak en vooral de gegroeide praktijk bij de uitvoering van de opiumwet. Hierdoor hebben populaties druggebruikers, anders dan de traditionele klanten van de drughulpverlening, de kans gekregen om meer geïntegreerde gebruikspatronen te ontwikkelen. Dat geldt het duidelijkst voor cannabisgebruik. Decriminalisering van deze drug heeft tot indrukwekkende aanpassingen geleid van de regels en rituelen die het gebruik omringen. Matig gebruik en zelf-regulering zijn hier de norm, gebaseerd op een gecontroleerde verkrijgbaarheid (koffieshops) en informele sociale sancties.

Onze nuchtere aanpak heeft er ook toe geleid dat gebruik van ecstasy van redelijk bescheiden omvang is gebleven terwijl ook hier matige gebruikspatronen norm zijn. Slikt men in Nederland gemiddeld één tablet per sessie - die kan variëren van een nachtje 'housen' tot met een roeibootje de polder in - bijvoorbeeld in Engeland is vier pillen niet ongebruikelijk.

Zelfs in de heroïnescene heeft het pragmatische politiebeleid van de jaren tachtig tot indrukwekkende verschuivingen geleid: De Nederlandse scene is verhoudingsgewijs ontspannen, en wordt gekenmerkt door weinig geweld en betere contacten met zowel politie als gezondheidswerkers. Harddrugs zijn in Nederland van redelijke prijs en kwaliteit. Dit gegeven ligt ten grondslag aan de vanuit een volksgezondheidsperspectief cruciale verschuiving in het subculturele toedieningspatroon. In de loop der tijd is de dominante norm verschoven van spuiten naar het veiligere chinezen (inhaleren vanaf aluminiumfolie). Met name dit verschijnsel vormt het succes van het Nederlandse drugbeleid. Niet alleen leidde dit tot een verhoudingsgewijs laag aantal fatale overdoses, het is tevens de belangrijkste reden voor het relatief lage aantal HIV-besmettingen onder druggebruikers.

Deze cultuurverschuivingen gebeurden dankzij de tolerantie (tot op zekere hoogte) van gebruik en kleinhandel, we bemoeiden er ons niet mee zolang het de spuigaten niet uitliep. In die zin was er dus sprake van een delicaat samenspel van beleid en non-beleid. Laten we dit meewegen - en er zijn meer voorbeelden - dan komen we tot een andersoortige balans. Hoewel zeker niet perfect, is het in de jaren tachtig gevoerde drugbeleid toch succesvol geweest, met name de strafrechtelijke kant.

Helaas, het beleidsrecept dat voor de jaren tachtig werkte, werkt niet automatisch in de jaren negentig. Er was een opkomst van cocaïne en crack en er is er sprake van een toenemende overlast - deels veroorzaakt door de toenemende politiedruk op huisadressen en de aflopende stadsvernieuwing. DHV, beleidsmakers en politiek negeerden deze ontwikkeling. Tot in 1992 een groepje opgeschoten mariniers het heft in eigen handen nam en het volk begon te morren. Vervolgens overschreeuwden populistische burgemeesters, commissarissen van politie en andere opportunistische politici elkaar met gespierde onzinnigheden en werd in een Rotterdamse woonwijk voor de camera's de staat van beleg opgevoerd.

De recente beleidswending naar meer repressie staat haaks op het succesvolle streven naar normalisering. Wil Nederland niet in een war on drugs wegglijden, dan dient het pragmatische drugbeleid een schot in de arm te krijgen. Harm-reduction, zelf-regulering en normalisering dienen hierbij uitgangspunten te zijn. Een dergelijk innovatief proces vergt echter wetenschappelijk inzicht, politieke moed en een fundamentele herschikking van middelen.

    • Jean-Paul C. Grund