WINSTON CHURCHILL; Een standbeeld omvergetrokken

Churchill: The End of Glory, A Political Biography door John Charmley 753 blz., geïll., Hodder & Stoughton 1993, ƒ 96,60 ISBN 0 340 48795 X

Van een niet met name genoemd 'schrander psycholoog' tekende Simon Vestdijk eens de uitspraak op: 'Een groot man, Churchill, ongetwijfeld. Maar hij heeft iets in zijn gezicht... Ik vind hem eigenlijk uitgesproken dom.' Vestdijk, die veronderstelde dat zijn psycholoog ook het innerlijk bedoelde, verklaarde het hier niet mee eens te zijn. Hij eindigt het korte essay waarin dit voorkomt Zijn politici dom? dan ook met de vaststelling: 'De grootheid van Churchill bestond o.a. daarin, dat hij, hoe temperamentvol ook, bij het opruimen van de brokken van anderen zich niet door zijn emoties liet beheersen. En laat hij er dan een beetje dom uitzien!' (in: De leugen is onze moeder, 1965).

Deze - wat het domme uiterlijk betreft - verrassende Nederlandse bijdrage aan de Churchill-kennis, die ik tot nog toe niet elders bevestigd zag, komt mij voor als een passende aanloop tot een beschouwing over het boek van Charmley. Want ook Charmley is niet kinderachtig in het vermelden van opvallende fysieke kenmerken als hij in het eerste hoofdstuk zijn hoofdfiguur als schooljongen introduceert, struikelend over de tautologieën, als een 'kleine, ondermaatse, roodharige dwerg met sproeten'. De jonge politicus wordt neergezet als 'een parlementaire horzel, een verwaande, uit zijn krachten gegroeide scholier met de taal van een redenaar en de manieren van een boerenkinkel'. En van het ambitieuze Lagerhuislid heet het verder, met een goedkope beeldspraak, dat hij 'thirsted after office as a man in the desert does for water'.

De schrijver die geboren werd in 1955 - zeven maanden nadat Churchill voor de laatste keer als premier aftrad - was negen jaar toen diens imposante staatsbegrafenis plaatshad, en hij had geen herinnering aan 'de godheid als levend mens' zoals hij in de inleiding schrijft. Aan deze omstandigheid ontleende hij de vrijheid om na diepgaande studie van diens tijdgenoten Churchill zelf aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen, en de man die in het ouderlijk huis als 'The Almighty' werd vereerd van zijn voetstuk te halen, daarbij ongewild herinneringen oproepend aan Helmut Kohls omstreden uitspraak over de 'Gnade der Spätgeburt'.

Het is de van weinig respect getuigende benadering die in het hele boek doorklinkt, de met alle clichés afrekenende schildering van Engelands kritieke periode in de zomer van 1940, en de verantwoordelijkheid voor de ondergang van het Britse rijk waarmee de schrijver Churchill belast, die de aanleiding vormden voor de publicitaire storm die opstak toen Charmley's boek in januari van dit jaar verscheen. De toen ontstane deining kan vergeleken worden met het rumoer dat A.J.P. Taylor in 1961 ontketende met zijn The Origins of the Second World War.

LEVENDIGE BESCHRIJVING

Van de vele kabinetsposten die Churchill voor 1940 bekleedde wordt een levendige beschrijving gegeven die ik met enkele voorbeelden wil illustreren.

Als minister van binnenlandse zaken kreeg Churchill te maken met uitgebreide mijnwerkersstakingen in Wales, die met veel geweld en plunderingen gepaard gingen. Charmley weerlegt het verwijt dat Churchill jarenlang van Labour-zijde achtervolgde, als zou hij in Tonypandy troepen tegen de stakers hebben ingezet. Een grote politiemacht was uit Londen in actie gebracht, maar aanwezige militairen zijn door Churchill, ondanks op hem uitgeoefende druk, niet gebruikt. In januari 1911 leidde Churchill persoonlijk een grootscheepse operatie tegen een door een anarchist gang in Sidney Street in Londen bezet huis. Dit incident, bekend geworden als de battle of Sidney Street kreeg enorme publiciteit en de aanwezigheid van de minister van binnenlandse zaken daarbij werd zwaar bekritiseerd.

Er is hiervan een prachtige foto opgenomen, veel minder bekend dan de meestal gereproduceerde: men ziet hier een zelfbewuste, recht in de camera kijkende Churchill, uitgedost met hoge hoed en bontkraag, ingeklemd tussen een lid van de Scots Guards en een brandweerman. Charmley die op ettelijke plaatsen Churchills eigenaardigheden in de persoonlijke omgang en in zijn beleid signaleert, waarbij zijn zelfverzekerdheid in eigengereidheid en zijn doortastendheid in roekeloosheid verkeerde, meent in deze gebeurtenis de samenvatting van zijn tekortkomingen te zien: 'egocentricity and boyish enthusiasm were all very well in their place, but that place was not in a responsible Minister of the Crown.'

In latere biografieën heeft dit voorval meer aandacht gekregen dan de veel belangrijkere bijdrage die Churchill leverde aan de hervorming van het gevangeniswezen die onder andere verruiming van bezoektijden en verbetering van de gebrekkige lectuurvoorziening inhield.

INSPECTIETOCHTEN

Geen functie heeft Churchill met meer enthousiasme bekleed dan die van First Lord of the Admiralty nadat Asquith hem in november 1911 in zijn kabinet had opgenomen. Onder de dreiging van de voortdurend omvangrijker wordende Duitse oorlogsvloot begon Churchill ondanks hevig verzet, ook binnen het kabinet, aan uitbreiding van de Britse zeemacht en slaagde erin de marinebegroting met bijna de helft te verhogen, en dit nadat hij kort tevoren als minister van economische zaken hierin hevig had gesnoeid. Charmley verwijt hem hier en op andere plaatsen het ontbreken van een consequente lijn in zijn politiek, waarvan Churchill zich bewust is geweest. In 1927 publiceerde hij in het tijdschrift Pall Mall het artikel Consistency in Politics en wijst er daarin op dat de politicus voor de noodzaak kan komen te staan eerder ingenomen standpunten te verlaten als de omstandigheden zich drastisch hebben gewijzigd.

Als First Lord voelde Churchill zich in zijn element, zeker ook doordat hij de beschikking kreeg over het admiraliteitsjacht de Enchantress, dat hij volgens de auteur als zijn tweede bureau ging beschouwen, en waarmee hij talrijke, vaak zeer langdurige inspectietochten maakte langs de vlootbases in Engeland en in het Middellandse-Zeegebied. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog was het zijn taak de snelle mobilisatie van de Britse oorlogsvloot te leiden. Voor de in het jaar daarna desastreus verlopen Dardanellen-operatie werd hem een groot deel van de verantwoordelijkheid toegerekend, hetgeen tot zijn aftreden leidde.

In 1924 ging Churchill van de Liberalen over naar de Conservatieven, de partij die hij twintig jaar eerder had verlaten, en werd in hetzelfde jaar door Baldwin als minister van financiën in diens kabinet opgenomen. Het is hierbij dat Charmley een van de weinige loftuitingen aan Churchills adres plaatst, door hem de meest capabele minister met de grootste parlementaire ervaring te noemen. Hij kreeg hier met zeer grote problemen te maken, doch had over het algemeen een goede pers, en dit terwijl het werkterrein hem in wezen vreemd was.

Zijn begrip van geldzaken had zich tot dan toe beperkt tot het genieten van ruime inkomsten uit zijn boekpublikaties en lezingentournees door de Verenigde Staten, en het op nog ruimer schaal uitgeven. Zijn adviseurs spraken een voor hem niet te volgen jargon: 'I wish they were admirals or generals. I speak their language. But after a while these fellows start talking Persian, and then I am sunk.'

In 1929 kwam het kabinet-Baldwin ten val en brak voor Churchill een tienjarige periode als ambteloos burger aan, die hij plastisch beschreef als zijn 'wilderness years'. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog nam onder sterke druk van de publieke opinie Neville Chamberlain zijn jarenlange tegenstander Churchill op in zijn kabinet, en ontvingen alle schepen van de Royal Navy de radioboodschap 'Winston is back', nadat deze zijn oude plaats in Admiralty House weer had ingenomen, als laatste stap op weg naar het zo fel begeerde premierschap.

OORLOGSPREMIER

De schrijver is tot over de helft van zijn boek gevorderd als hij begint aan de beschrijving van Churchills rol als oorlogspremier, op onderdelen waarvan de kritiek zich voornamelijk heeft gericht. Al ruim twee maanden later heeft het Duitse offensief een onvoorzien succes geboekt - de tankdivisies zijn niet door maar om de onneembaar geachte Maginotlinie getrokken - waardoor de Franse nederlaag en de terugtrekking van het Britse expeditieleger onvermijdelijk zijn geworden.

Op 26, 27 en 28 mei worden de kabinetsvergaderingen gehouden die een zeer dramatisch verloop hebben als daarbij de mogelijkheid van beeindiging van de oorlog door overleg aan de orde komt. Charmley schrijft hierover dat 'latere mythologie ten spijt, er brede steun te vinden zou zijn om tenminste gesprekken te openen om te vernemen welke vredesvoorwaarden Hitler zou stellen.' Er waren steeds groepen geweest die tegen de oorlog gekant waren, variërend van 'fellow-travellers of the right', enkele defaitistische figuren uit de kerkelijke hiërarchie, uit de toneelwereld mensen als John Gielgud en Sybil Thorndike, de eeuwige dwarsligger Bernard Shaw tot op de uiterste linkerzijde de communisten onder leiding van Harry Pollitt. Deze laatsten konden de oorlog niet anders zien dan als een conflict tussen kapitalistische machten waar de arbeidersklasse niets mee te maken had. In bezet Nederland zou in de illegale edities van De Waarheid tot juni 1941 eenzelfde standpunt verdedigd worden.

Charmley noemt in dit verband ook Lord Beaverbrook, die enkele Labour-afgevaardigden aanmoedigde in hun campagne voor vrede door onderhandelingen, vóór hij als minister voor vliegtuigproduktie een wezenlijk aandeel zou hebben in het afslaan van het Duitse luchtoffensief in de Battle of Britain.

Als Churchill in mei/juni 1940 getracht had tot vrede te komen, dan had volgens de schrijver een groot deel van de openbare mening dat toegejuicht, zij het met tegenzin en onder het voorbehoud dat de voorwaarden eervol zouden zijn. Churchill was echter slechts bereid naar een vredesvoorstel te luisteren, niet om er zelf een te doen, en dan alleen als Hitler bereid zou blijken de veroverde gebieden op te geven.

Op 26 mei had Chamberlain in zijn dagboek een opmerking van Churchill genoteerd die deze geuit had in de kabinetsvergadering van die dag en die illustratief is voor de heersende spanning: 'if we could get out of this jam by giving up Malta and Gibraltar and some African colonies*, he would jump at it.' Van deze uitspraak is voor het eerst melding gemaakt in een weinig bekend essay van David Reynolds, dat reeds in 1985 is verschenen en dat merkwaardigerwijs toen niet de aandacht heeft getrokken.**

Churchills uitlating is tekenend voor de benardheid van Engelands positie en van eigen onzekerheid, waaraan hij slechts binnenskamers lucht gaf. Naar buiten gaf hij daarvan nimmer blijk en in zijn redevoeringen voor het Lagerhuis en via de radio vond hij de woorden die zijn landgenoten en de bevolking van bezet Europa zo veel hoop en vertrouwen gaven, tegen de harde werkelijkheid van het oorlogsverloop in.

DUITSE OORLOGSINDUSTRIE

De titel van het essay van Reynolds heeft betrekking op twee verkeerde veronderstellingen die in de zomer van 1940 de Britse oorlogspolitiek bepaalden. Daar was in de eerste plaats de visie op de Duitse oorlogsindustrie, die geacht werd op het punt van ineenstorting te staan als gevolg van de blokkade en die bovendien in Churchills woorden door bombardementen zouden worden 'verpulverd'. De blokkade verloor aan betekenis door de uitgebreide Russische leveranties van vitale grondstoffen (onder andere olie) en die tot de Duitse aanval op de Sovjet-Unie ononderbroken doorgingen, een feit waar hardleerse communisten niet graag aan herinnerd worden.

Bovendien bleek het effect van bombardementen grotelijks overschat te worden, evenals de gevolgen hiervan voor het moreel van de Duitse bevolking. De Britten zelf zouden in de herfst van 1940 het bewijs leveren, dat een burgerbevolking door hardnekkige luchtaanvallen alleen niet op de knieën is te krijgen. De produktie van de Duitse wapenfabrieken zou in de zomer van 1944 zelfs een hoogtepunt bereiken, en dat na twee jaar van steeds heviger bommenregens.

De andere misvatting betrof het tijdstip van deelneming van de Verenigde Staten aan de gewapende strijd. Nadat Churchill weer zijn plaats op de Admiralty had ingenomen, stond hij in regelmatige correspondentie met president Roosevelt, waarin hij met steeds meer klem op steun aandrong, een steun die aanvankelijk weinig meer dan mooie woorden kon bevatten. Door de Neutraliteitsproclamatie van 5 september 1939 was Roosevelt aan handen en voeten gebonden. In augustus 1940 kwam enige materiële bijstand na de afsluiting van de Destroyer-Deal, een overeenkomst waarbij in ruil voor een aantal sterk verouderde torpedojagers de Amerikanen het recht kregen militaire bases in te richten op New Foundland, op Bermuda en in enige andere Britse gebieden in het Caraïbisch gebied.

Pas in maart 1941 tekende Roosevelt de Leen- en Pachtwet, die leveranties van grondstoffen, wapens en voedingsmiddelen mogelijk maakte waardoor iets van de teleurstelling werd weggenomen over het uitblijven van de Amerikaanse oorlogsverklaring na de herverkiezing van Roosevelt in november 1940. Hier doelde Reynolds op toen hij schreef over de 'right policy' die werd ingegeven door de 'wrong reasons'.

Charmley wijdt ook uitgebreid aandacht aan deze onjuist gebleken verwachtingen maar richt zijn kritische pijlen, waaronder talrijke giftige, vooral op de relatie Engeland-Verenigde Staten, gepersonifieerd in Churchill en Roosevelt. De eerste wordt daarbij als een kruipende bedelaar afgeschilderd, die volledig aan de welwillendheid van de tweede is overgeleverd.

Het is onbetwistbaar dat Engelands financiële positie weinig hoopgevend was: de Britse dollarreserves waren na de zomer van 1940 vrijwel weggesmolten, waardoor de noodzaak ontstond de Britse bezittingen in de VS aan te spreken. Het is echter onjuist om, zoals Charmley doet, hieraan de conclusie te verbinden dat een toenemend aantal Engelsen de overtuiging kreeg dat hun moederland en imperium slechts met nominale onafhankelijkheid uit de oorlog zouden komen nadat zij tot de status van een Amerikaans protectoraat waren afgezakt, zij het dat dit nog beter was dan een Duits protectoraat.

De cynische beschrijving die Charmley geeft van de eerste ontmoeting van Churchill en Roosevelt in de baai van New Foundland in augustus 1941 en van het bij die gelegenheid opgestelde Atlantic Charter, dat nu bezien inderdaad van een zwevend idealisme getuigde, gaat geheel voorbij aan de geweldige psychologische betekenis die het nieuws over deze ontmoeting inhield. Men kon er de conclusie aan verbinden dat de betrokkenheid van de Verenigde Staten bij de strijd in Europa in een niet te ver verschiet lag.

DOODGRAVER

In Engelse kritieken op Charmley's betoog is duidelijk gewezen op de beslissende betekenis die deelneming van de VS aan beide wereldoorlogen heeft gehad en waarvoor de auteur geen begrip toonde. Zijn bewering dat Churchill uitverkoop hield van het Britse wereldrijk komt geheel overeen met hetgeen de nationaal-socialistische propaganda uitdroeg en in karikaturen uitbeeldde: Chruchill als doodgraver van het Britse imperium.

Gelijktijdig met de eerste besprekingen van Charmley's boek in de Britse pers verscheen in The Times van 2 januari een bijdrage van Alan Clark onder de veelzeggende kop: A reputation ripe for revision, waarvan één passage de meeste aandacht trok: 'There were several occasions when a rational leader could have got, first reasonable, then excellent, terms from Germany. Hitler actually offered peace in July 1940 before the Battle of Britain started.' Het meest afdoende commentaar op deze absurde bewering kwam, pikant in dit verband, van Duitse zijde: van Rolf Augstein in Der Spiegel van 10 januari. Pikant, omdat het weekblad noch zijn hoofdredacteur bekend staat wegens zijn grote liefde voor Engeland: 'Kein englischer Staatsmann hätte sich mit diesem tollwütigen Hund auf Verhandlungen einlassen können.'

In sommige beschouwingen is de indruk gewekt dat Clarks aantijgingen van Charmley afkomstig zouden zijn: Clark had weliswaar geen recensie geschreven, maar wel lovend naar het boek verwezen. D.C. Watt repte, in zijn zeer negatieve reactie op het boek, van een poging van Clark om Charmley te 'kapen' ter ondersteuning van Clarks eigen beschuldiging. Volgens Watt legde Clarks bijdrage onevenredig veel nadruk op het deel van Charmley's boek waarin de kansen op een mogelijk Brits-Duits vergelijk worden behandeld (The Independent, 16 januari).

Tot slot enige opmerkingen over het boek als geheel. Het is bepaald zeer leesbaar geschreven, zij het ontsierd door gecompliceerde zinswendingen en een rommelige chronologie ten aanzien van de behandelde thema's. Charmley heeft te zeer toegegeven aan zijn neiging om allerlei negatieve oordelen over Churchills karakter, zijn politiek optreden en zijn soms onhebbelijk gedrag voor zoete koek aan te nemen. Voor het merendeel zijn deze afkomstig uit society-roddel, en privé-uitlatingen in brieven en dagboeken.

Op de hoofdpunten is zijn veroordeling van Churchill niet houdbaar, en hoewel hij zeker ook positieve elementen in zijn beschouwing betrekt, heeft hij te weinig oog gehad voor de inspirerende invloed die van Churchills optreden in de maanden van de crisis uitging. Op enkele plaatsen geeft hij bij het ter sprake brengen van enige van Churchills beroemde redevoeringen blijk van een diepgaand onbegrip. Hij bewijst hiermee dat niet slechts het schrijven over maar ook het lezen van historische teksten een vak is dat niet door iedereen beheerst wordt.

*Churchill doelde hierbij op de vroegere Duitse koloniën die na de Eerste Wereldoorlog onder Brits beheer waren gekomen.

**David Reynolds, Churchill and the British 'Decision' to fight on in 1940: right policy, wrong reasons. In Richard Langhorne, Ed: Essays in honour of F.H.Hinsley (Cambridge, 1985).

    • Ed. G. Groeneveld