Wegblijven bank komt niet onverwachts

BRUSSEL, 30 OKT. Amsterdam huilt. Maar de klap komt niet onverwachts. Al maanden werd in de Europese diplomatie ingezet op Frankfurt als vestigingsplaats van het Europees Monetair Instituut (EMI), en dus van de toekomstige Europese Centrale Bank (ECB). “Ik vrees dat de munt voor Duitsland een te emotioneel gegeven is...”, sprak premier Lubbers vorige week al.

Het Europees Monetair Instituut wordt formeel op 1 januari opgericht, als de tweede fase van de zogeheten economische en monetaire unie (EMU) ingaat. Het EMI krijgt tot taak de coördinatie van het monetaire beleid van de twaalf EG-lidstaten te versterken (“teneinde prijsstabiliteit te verzekeren”) en toezicht te houden op het wisselkoersmechanisme van de EG. Bovendien moet het EMI de weg bereiden voor de komst van de ene Europese munt.

Het EMI is in feite een compromis, net zoals het hele Verdrag van Maastricht waarin de condities van de economische en monetaire samenwerking in de EG zijn vastgelegd, een compromistekst is. Frankrijk pleitte bij de onderhandelingen over 'Maastricht' voor snelle uitbreiding van die samenwerking. Als het aan Parijs had gelegen was er op 1 januari aanstaande al een soort Eurofed opgericht, een Europese centrale bank der centrale banken.

Maar het Verenigd Koninkrijk lag dwars. En ook Duitsland verzette zich met hand en tand tegen zo'n snelle aanslag op de hardheid van de D-Mark en de onafhankelijkheid van de Bundesbank. Daarom werd gekozen voor een geleidelijke uitbreiding van de monetaire samenwerking, waarbij de lidstaten in fasen iets van hun onafhankelijkheid prijsgeven. Of liever gezegd: hun samenwerking versterken.

Begin deze week stemden de ministers van financiën al in met de kandidatuur van de Belg baron Alexandre de Lamfalussy voor het voorzitterschap van het EMI. Lamfalussy is nu directeur-generaal bij de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel. De presidenten van de centrale banken van de EG-lidstaten schoven hem naar voren als “de ideale kandidaat omdat hij geen politieke keuze is”, zo zei president Duisenberg van De Nederlandsche Bank eerder deze maand.

Daarmee wordt treffend geïllustreerd dat het EMI voorlopig nog slechts een bescheiden rol zal spelen, ongeveer te vergelijken met de toezichthoudende rol die het Comité van presidenten van de centrale banken van de EG-lidstaten nu speelt. “Het is geen baan waarvoor een zittende gouverneur van een centrale bank nu zijn functie zal opgeven”, zei een ambtenaar over de benoeming van Lamfalussy. Eerder was gesuggereerd dat Duisenberg, die het Comité van centrale-bankpresidenten voorzit, kandidaat zou zijn voor het voorzitterschap van het EMI.

De bescheiden rol van het EMI blijkt onder andere uit het feit dat het instituut weliswaar het muntbeleid in de EG-landen moet harmoniseren, maar dat die lidstaten voorlopig nog wel het laatste woord hebben. Met andere worden: het EMI kan analiseren en aanbevelingen doen, maar het kan als puntje bij paaltje komt, geen beleid dwingend opleggen.

Als voorloper van de Europese Centrale Bank - de toekomstige hoedster van de ene Europese munt - moet het EMI de definitieve fase van de economische en monetaire samenwerking in de gemeenschap voorbereiden. Volgens het tijdschema dat is neergelegd in het Verdrag van Maastricht, en dat tot nader order nog steeds van kracht is, kan die Economische en monetaire unie (EMU) eventueel in 1997 al van start gaan, maar moet zij uiterlijk 1999 zijn gerealiseerd.

Maar door de turbulenties van het afgelopen jaar op de wisselmarkten, en door het loslaten van de nauwe wisselkoersverhoudingen binnen het Europees Monetair Stelsel is de toekomst van de EMU onzeker geworden. Terugkeer naar nauwe banden in het EMS lijkt binnen afzienbare tijd niet realiseerbaar. Desondanks hebben de EG-ministers van financiën na het uitbreken van de EMS-crisis laten weten dat onverkort moet worden voortgegaan met de voorbereiding op de tweede fase van de EMU, inclusief de oprichting van het EMI.

De afgelopen weken al bereikten de ministers van financiën politieke overeenstemming over een aantal nog resterende wetsteksten die moeten zijn geregeld als de tweede fase van de EMU volgend jaar ingaat. Het betreft zaken als een verbod van de lidstaten om hun geldpersen maar te laten draaien als hun tekorten oplopen en de procedures die moeten worden gevolgd bij excessieve begrotingstekorten in een lidstaat.

Formeel wordt het EMI beheerd door een raad die bestaat uit een president (Lamfalussy) en de presidenten van de nationale centrale banken uit de lidstaten. Bij de uitoefening van zijn taak is het de raad van het EMI “niet toegestaan instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen of organen van de Gemeenschap of van regeringen van lidstaten”, aldus de statuten. Met andere woorden: de centrale-bankpresidenten moeten handelen als onafhankelijke monetaire deskundigen.

    • Wim Brummelman