VOLKSAARD

Wonnie is niet stug en niet zwijgzaam, ze spreekt zelfs vloeiend Nederlands, en dat is een wonder, gegeven het feit dat ze een indiaanse is. Van indianen wist men tot voor kort alleen dat ze de oorspronkelijke bewoners waren van het land, en dat was meteen ook hun status. Ze waren gereduceerd tot nationale symbolen die op ceremoniële festiviteiten werden tentoongesteld als bewijs dat Suriname ook buiten de blik van de Europeanen bestaansrecht had, maar het leek of niemand hen ooit echt had gezien.

Op alle prenten werden ze afgebeeld als lange, slanke mensen, terwijl ze in werkelijkheid een korte, gedrongen gestalte hebben. In de stad werden ze geminacht, omdat ze alleen zouden drinken en vechten. Een populaire grap gaat over een beschonken indiaan die tijdens het dansen op de voet van een omstander trapt. Als de indiaan naar hem toe komt om zich te verontschuldigen zegt de omstander nerveus: 'Nee, 't is niks, je hebt me niet getrapt.'' Waarop de indiaan hem bij de kraag grijpt en roept: 'Je wilt dus zeggen dat ik lieg!''

Wonnie lacht erom. Het is waar, zegt ze, indianen zijn lichtgeraakt. Daarom wonen ze niet in kleine, gesloten dorpen, zoals de boslandscreolen, maar zo ver mogelijk van elkaar vandaan. Het onderlinge wantrouwen is bovendien groter dan dat tegenover de andere bevolkingsgroepen in het land. Als Arowaks meisje zou zij bijvoorbeeld probleemloos kunnen trouwen met een stadscreool, of met een hindoestaan, al zou de hindoestaan daar grotere moeite mee hebben. Ze zou ook wel mogen trouwen met een boslandscreool, haar familie zou het haar vergeven, na een jaar of tien. Maar nooit, nooit zou ze kunnen trouwen met een Caraïb, een indiaan van de andere stam. Het verhaal van historici dat zich vóór de kolonisatie van de Guyana's een eeuwenlang ritueel voltrok, waarbij de Caraïben op de Arowakken joegen, louter uit plezier en gewelddadigheid, is volgens Wonnie zondermeer waar.

Ze is op jeugdige leeftijd naar een familie in de stad gestuurd, als 'kweekje', waar ze moest helpen in het huishouden, maar ook naar school mocht. Wonnie behaalde het Mulo-diploma.

Nu gaat ze regelmatig terug naar haar dorp, dat op zes uur varen van de stad ligt, om haar mensen te overtuigen van het nut van een goede scholing. De indianen geloven zelf nog wel het meest in de romantiek van het leven in het oerwoud, maar in werkelijkheid wordt de dag besteed aan het vergaren van voedsel en afgesloten met het verorberen ervan. Die stilstand kan doorbroken worden, denkt Wonnie, als ze maar ophielden trots te zijn op hun symbolische waarde en hun primitieve volksaard.

Ik moet denken aan de beroemde woorden van de Commissie-Bos, die in 1911 namens de Nederlandse overheid onderzocht waarom alles wat in Suriname ondernomen werd om het land weer tot bloei te brengen mislukte: 'Verbetering van den volksaard, de voornaamste taak van den wetgever, stuit op groote moeilijkheden in een land met zoo groote verscheidenheid van ras.''

Dat spook is Suriname blijven achtervolgen, maar er zijn tekenen van verandering. Wonnie bijvoorbeeld, en Anne, haar zusje, dat pas op haar twintigste naar de stad durfde mee te komen. Ze sprak alleen arowaks, maar ze vond een baan als bediende bij een familie die juist prijs stelde op haar zwijgzaamheid. Twaalf uur per dag werkt ze om haar twee dochters naar school te sturen. De oudste zit al op het atheneum, en dat moet in Suriname net zo schokkend zijn als een creool die de landbouw in wil, of een hindoestaan die een Winti-voorstelling bezoekt, of een javaan die ingenieur wil worden.

Maar dit soort schokkende gebeurtenissen komt steeds meer voor. Sardjo bijvoorbeeld beschrijft zichzelf als 'een vreemde jongen'', omdat hij niet toegeeft aan het cliché dat het javanen niet kan schelen hoe ze aan hun geld komen, als het maar veel is. Overdag studeert hij aan de universiteit en 's avonds werkt hij als ober in een kroeg, om het inschrijfgeld te sparen voor het volgende collegejaar. Het is inderdaad vreemd, zoveel vooruitziendheid en vooruitstrevendheid, maar het land zal het van zulke vreemde figuren moeten hebben.

Een figuur als Radjen bijvoorbeeld, hindoestaan uit Nickerie en dus voorbestemd om rijstboer te worden die nooit zijn eigen etnische kring verlaat. Maar hij kwam naar de stad en werd een succesvol taxi-chauffeur, dankzij zijn vaardigheid om met allerlei mensen om te gaan zonder rekening te houden met hun volksaard. Juist omdat hij geen weet heeft van etnische gevoeligheden maakt hij iedere vijf minuten een nieuwe vriend en scheert hij door het leven als een jongen van de wereld die mee danst in een creools winti-spel en vervolgens naar een hindoetempel gaat.

Zoals Radjens inzet zijn flair is, is Titia's inzet haar tomeloze energie. Titia is een ongeschoolde creoolse vrouw die besloot Paramaribo te verlaten om in het district Saramacca te gaan wonen, tot verbijstering van vrienden en familieleden. Niet alleen omdat geen mens uit vrije wil de omgekeerde richting opgaat van stad naar platteland, maar ook omdat ze als creoolse niet geacht wordt iets van landbouw af te weten.

Inderdaad wist ze er niets van af, daarom bood ze haar krachten aan de javaanse en hindoestaanse boeren in de omgeving aan om het vak te leren. Het eerste jaar was er een van wanhoop en ontbering, omdat ze zonder noemenswaardige inkomsten een dubbele arbeidsdag had, op het veld van de buren en op haar eigen veld. Maar van de eerste oogst kocht ze een busje om zelf haar groenten en fruit naar de stad te brengen, waardoor haar winst aanmerkelijk groter is dan van de anderen. Nu heeft ze een huis gebouwd, een witte stenen villa, en leidt ze een bestaan waar de stedelingen jaloers op zijn. Terwijl zij ten onder gaan aan de torenhoge inflatie, verdisconteert Titia die in de prijs van haar produkten.

De familie in de stad laat zich echter niet door haar inspireren. Titia's succes wordt afgedaan als een kwestie van geluk, en geluk is niet iets dat je maakt, maar dat je krijgt.

Als ze met haar busje vol pinda, cassave en pompoenen naar de markt rijdt komt ze langs haar neven, sterke, gezonde creoolse jongens, die langs de kant van de straat staan te wachten op het geluk dat niet komt. Ze wachten op een 'mazzel' of op een 'hossel', een klein kortstondig klusje, een vlugge transactie, waar ze net genoeg mee verdienen om het volgende biertje van te bekostigen. Maar gewoon hard werken, uren achtereen in de moorddadige zon, om pas tegen het eind van het seizoen de opbrengst in handen te krijgen, daar hebben ze het geduld niet voor. Het is de volkswaard, verzucht Titia, en die is onverbeterlijk.

Mensen die het over 'de volksaard' hebben blijken er zelf nooit schuldig aan te zijn. Titia, Wonnie, Sardjo en Radjen bewijzen juist hoe verbeterlijk die is, ze hollen de betekenis van het woord uit. Ze zijn vreemd, omdat ze weigeren te beantwoorden aan de vaste voorstellingen die men van de etnische groepen heeft. Daarmee weerleggen ze zowel de veronderstelling als de conclusie van de commissie-Bos: dat de verbetering van de volksaard een taak van de wetgever is, en dat het de verscheidenheid van ras zou zijn die deze verbetering dwarsboomt.

De taak wordt moeizaam volbracht, niet door de wetgever, maar door deze 'vreemde' mensen zelf. En de verscheidenheid van ras, daar hebben ze lak aan.

    • Anil Ramdas