Te voet

De kaars, het licht der wereld, voor mij een symbool van machteloosheid, voor Nini een teken van hoop, en dan wil ik mijn machteloosheid ook wel in hoop veranderen, maar dat maakt niet uit - voor mij is hoop een droevig woord. Het verschil is het idee dat hoop iets is dat helpt.

In het hoge kerkje dwaalt (op deze vrijdagmorgen) een lichte stilte rond. Ramen, kansel, banken, alles zegt: ik wacht. Aan de muur een bord met namen van predikanten, te beginnen met J. Sweersz, 1606-1612.

Hiervandaan lopen we naar de kleine begraafplaats. Het dorpje uit. Een weg met bomen. Landerijen met een regenlucht. Een ver vermoeden van rivier.

Zo gaat het ook bij een begrafenis. De stoet te voet, de dominee voorop. In toga. Als de hekken openstaan, steekt in het midden een ijzeren dingetje uit de grond. Dan kijkt ze om. Daar attendeert ze even op, zodat er niet gestruikeld wordt.

“We laten ons”, zegt Nini, “bij de dood en begrafenis veel te veel uit handen nemen. Je zou zelf het graf moeten delven. Tranen op je wangen, klei aan je handen, zo zou je het lichaam moeten begraven van iemand van wie je gehouden hebt.”

Geloofsbelijdenis. Het Onze Vader. Gewijde taal. En dan weer terug. De stoet te voet, de dominee voorop. In toga. Dan ziet ze mensen bij de warme bakker staan. Dan denkt ze ook: wat is toch de betekenis van wat we doen?