Stadsgevoel

In de stad leven de mensen langs elkaar heen. Dat moet ook. Stedelingen willen met de meeste van hun stadgenoten helemaal niets te maken hebben. Er zijn er een paar die ze kennen willen en de rest is hun teveel.

Dat langs elkaar heen leven is het wezen van het stadsbestaan: dat mensen zich tegelijkertijd in dezelfde ruimte bewegen, maar in verschillende vertoningen zijn opgenomen en onverstoorbaar doorgaan met hun opvoering.

In het Amsterdamse steegje waar ik werk kwamen jarenlang de verslaafden zich de heroïne inspuiten die ze een straat verder hadden ingeslagen. De meisjes staken de naald onvervroren in hun tong om plekken op hun lichaam te vermijden. De jongens leunden quasi ontspannen tegen een huismuur, een arm achter hun rug, de hand met de spuit ging achterlangs hun andere arm in en de voorbijgangers zagen er niets van. In het portiek zaten ze even later weer te kokerellen met gebogen lepels en zilverpapier om het poeder in een spuitbare vloeistof op te lossen. Onder elkaar bespraken ze druk de prijzen en het aanbod van de dag en kiftten over de verdeling van hun aankoop.

Maar wij mochten er ook zijn: met aktentas en regenjas, of met rugzakjes op de fiets, deden wij het alledaagse kantoorbestaan na en het leek wonderwel. Die twee scenes schoven moeiteloos dooreen en het kon lijken alsof de ene ploeg de ander zelfs nog nooit had opgemerkt. Toch zwoegden wij met zware beugels en kettingen die bedoeld waren om onze fietsen tegen hen te verdedigen en hield de andere partij iets schielijks dat bedoeld was om hun opvoering van de onze af te schermen. Er liepen dagelijks honderden sociologen in en uit en ik geloof dat niemand die taferelen ooit beschreven heeft. Bij deze dan.

De binnenstad werkt als een decor waarin verschillende voorstellingen dwars door elkaar worden opgevoerd. Het drukke verkeersplein verandert op vroege lentedagen in een voorportaal van de Costa Brava waar de spijbelaars 's ochtends al halfnaakt aan de pils zitten te zonnen. Zij doen 'wij waren eigenlijk met vakantie...' en de alledaagse voorbijgangers spelen 'laten wij nou net op weg zijn naar ons werk...' Er ontstaat een lichte ergernis tussen terrasgasten en passanten die iedere partij bevestigt in zijn gelijk en zijn goede recht. Die ergernis is niet onaangenaam.

Ook in de volksbuurten wordt een permanent veelvoudig volkstoneel opgevoerd, een reeks gelijktijdige voorstellingen, elk met een eigen bezetting en een apart scenario. Het echte minderhedentheater speelt zich in de wijken af, zonder subsidie of toegangsbewijs, maar met volledige publieksparticipatie. De Surinamers op de stoep voor het buurtcafé in een rumoerig twistgesprek verwikkeld wijken nauwelijks uiteen om een Turks echtpaar - hij in djellaba en zij met hoofddoek - door te laten, dat als schimmen door hun schaduwen schuift, op dezelfde stoep maar in een andere opvoering.

Dat wederzijds negeren is het echte stadswerk. In cafés hoort men de belendende gesprekken niet te horen. Impertinente blikken kunnen ruzies uitlokken: 'Heb ik soms wat van je an?' was vroeger de vaste waarschuwing voor iemand die te lang naar een ander keek. Dat kon uitlopen op een vechtpartij. In een openbare ruimte beweegt blijkbaar elk gezelschap zich binnen een eigen kring, een echt territoor dat tegen binnendringers en zelfs tegen indringende blikken wordt verdedigd.

Ook in forenzentreinen zitten de passagiers in zo'n onzichtbare cocon, laten zich liever niet aanspreken, willen niet dat een buurman meeleest in hun krant en voeren conversaties waar geen toehoorder zich in mag mengen. In de New Yorkse metro is een blik naar de overkant van het gangpad al een soort oorlogsverklaring, althans uitlokking van een geweldsmisdrijf.

Dat is allemaal afweer van de medemens. Maar er lopen in de stad ook experts in het slechten van die weerstand tegen de ontmoeting. Straatventers, bedelaars, lekeprekers, tippelaarsters, oplichters en natuurlijk ook aansprekers, mannen die het op wildvreemde vrouwen en meisjes begrepen hebben. Na het moment van eerste schrik bij de voorbijganger en vóórdat het rolluik van de onverschilligheid zakt, is er een tiende tot een honderdste seconde van nieuwsgierigheid, net genoeg voor één blik, één woord als een voet tussen de deur, een mes in de sponning. Wat werkt in die sluitertijd? 'Honger', 'dag lekkere schat', 'hellevuur', 'ken ik je ergens van?', alleen de absolute soundbite. De kans van slagen is één op honderd, minder nog, maar er komen duizend mensen in een uur voorbij en daartussen lopen tientallen die horen tot de doelgroep. Maar bij elke nieuwe poging moet de contactzoeker een niemandsland in, een mijnenveld waar hij een tik riskeert, een scheldwoord of een blik die na al die keren nog steeds bijna dodelijk is.

Dit moet ook van de andere kant bekeken worden. Men ergert zich aan vrijpostige straatfiguren, maar heimelijk rekent men hen ook tot de verleidingen en bedreigingen die een bekwaam stadsmens weet te weerstaan. De ergernis is deel van de genoegens van de grote stad. De stedeling zoekt afleiding en opwinding en kiest zijn route zo dat hij onderweg de juiste dosis opdoet. Maar als hij zijn weg niet kiezen kan en er wel langs moet, dan neemt uiteraard de ergernis de overhand.

Kort geleden was ik uitgenodigd om bij te dragen aan een conferentie over de leefbaarheid van de grootstedelijke samenleving. Een expert wist dat thema in drie woorden samen te vatten: 'heel, schoon en veilig'. Dat is kort genoeg om op straat een beeldschone of schatrijke passant mee aan de praat te krijgen. Maar is het een goede beschrijving van wat het bestaan in een grote stad aantrekkelijk maakt? Een straat of wijk waar haast alles 'kapot, smerig en doodeng' is, die is in ieder geval onleefbaar. In het negatieve klopt het dus. Maar 'heel, schoon en veilig' dat zijn toch meer de randvoorwaarden voor een badkamer, dan voor een grootstedelijke samenleving.

Wat mensen nog meer van een stad willen, dat is vermaak, verbazing, verrassing, spanning en ergernis in precies de goede mengverhouding. De ergernis is onmisbaar, want die dient om het onderscheid met anderen te accentueren, om een afstand aan te geven en de eigen positie te markeren. Zo kan iemand in één stad leven met misbaksels, viezeriken en engerds, en er zelf heel, schoon en veilig bij blijven.