Simpele plaatjes deugen niet voor diagnose van incest

Het College van Toezicht en Beroep van het Nederlands Instituut van Psychologen(NIP) honoreerde onlangs twee klachten over het gebruik van 'Bolderkar-poppen' om na te gaan of kinderen seksueel misbruikt zijn. Intussen is het gebruik van 'anatomisch correcte poppen' dermate omstreden dat er alternatieven worden verzonnen. Zoals het gebruik van Dick Bruna-achtige anatomisch niet-correcte tekeningen. Maar die deugen evenmin.

In het oktober-nummer van 'De Psycholoog', het officiële orgaan van het Nederlands Instituut van Psychologen, staat een lezenswaardig stuk van Maarten van den Dungen (emeritus-hoogleraar in de orthopedagogiek). Hij bespreekt twee beslissingen van de Colleges van Toezicht en van Beroep van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Beide beslissingen gaan over klachten die te maken hadden met het gebruik van de zogenaamde 'anatomisch correcte poppen'. In beide gevallen werd de klacht gehonoreerd: de betrokken psychologen hadden zich onzorgvuldig gedragen, mede door het poppen-onderzoek. Niet voor niets wordt het stuk van Van den Dungen dan ook betiteld als: 'Ontspoorde poppen'.

Zo ongeveer vijf jaar geleden was de discussie over de poppenmethode op haar hoogtepunt. De Bolderkar-affaire was nationaal nieuws. Talloze kinderen van die school zouden seksueel zijn misbruikt; en dat zou dan vooral blijken uit de manier waarop zij, desgevraagd, met de 'anatomisch correcte poppen' omsprongen. Deskundigen vielen over elkaar heen. Grof gezegd: experts in de hulpverlening waren voor de juistheid van de beschuldigingen; en experts in psychometrisch onderzoek waren er tegen.

Voor het NIP vormde dat wèl een probleem. Zijn ledenbestand bestaat immers deels uit hulpverleners en deels uit psychometrici (of ruimer: beoefenaars van de zuivere wetenschap). Op 24 december 1988 schreef professor Levelt een fel stuk in deze krant, waarin hij stelde dat het NIP zich compromitteerde door zich in deze zaak niet uit te spreken. Dat stuk zal wel hebben bijgedragen tot de verklaring van het hoofdbestuur van het NIP in januari 1989, waarin de poppenmethode min of meer werd veroordeeld. Het was echter al met al wel een wat halfslachtige verklaring.

Halfslachtig genoeg, in ieder geval, voor een aantal hulpverleners en psychologen om vrolijk door te gaan met de gewraakte methode. Daarbij kon men zich immers enigszins op de verklaring van het hoofdbestuur van het NIP beroepen. Echter, sommige van seksueel kindermisbruik beschuldigden waren ook wijzer geworden (of althans hun raadslieden). Vandaar de twee klachten over onzorgvuldig handelen van psychologen, waarover de Commissies van Toezicht en van Beroep van het NIP inmiddels uitspraak hebben gedaan. In beide gevallen is die uitspraak vernietigend voor de betrokken psychologen.

Zoals Van den Dungen het onderkoeld maar trefzeker formuleert: “Gezien de methodologische armoede van de gevolgde procedure zullen de conclusies invalide zijn. Erger nog, omdat ieder spoor van empirische toetsing ontbreekt, is het psychodiagnostisch interview in feite gereduceerd tot een 'fonds van projecties', met als gevaar dat de psycholoog voornamelijk zichzelf ontmoet - dieptepsychologisch wellicht heel interessant maar nauwelijks de bedoeling van een psychologisch onderzoek.”

Kortom: de aangeklaagde poppengebruik(st)ers deugden vaktechnisch van geen kant, en leefden misschien wel de eigen frustraties uit. Maar Van den Dungen gaat nog een stapje verder. Hij constateert dat het College van Beroep van het NIP zich in feite ook keert tegen bovengenoemde verklaring van het hoofdbestuur van het NIP zelf. In die verklaring werden volgens hem de accenten verkeerd gelegd: “Opnieuw wordt een lesje in methodenleer (en bestuurskunde) gegeven. Nu zit het hoofdbestuur in de collegebanken: er is geen plaats voor concessies van welke aard ook als een methode niet aan minimale eisen voldoet; het kan tot misverstanden met ernstige consequenties leiden.”

Zo is er, vijf jaar na dato, toch nog een vorm van wetenschappelijke gerechtigheid. Men mag de Nederlandse psychologen ook prijzen voor hun intern systeem van zelfregulering dat geen lid en geen bestuur spaart. De molens malen dan wel langzaam, zij malen wel. Alleen al om deze reden zou je wensen dat de titel 'psycholoog' gehandhaafd zou blijven, anders raakt het hek van de dam.

Maar nu het maatschappelijke effect. De 'poppenmethode' is inmiddels zo omstreden, dat er alternatieven voor worden verzonnen. Neem bijvoorbeeld de speciale opleiding voor het verhoren van jonge slachtoffers en getuigen, die politiemensen tegenwoordig kunnen volgen. Er zijn inmiddels zeven kinderverhoor-studio's in den lande, waar voornamelijk incestslachtoffertjes worden gehoord. Een en ander wordt op videoband opgenomen. Dat is natuurlijk een grote vooruitgang, omdat dan ook de advocaten van de verdachten kunnen zien waar het om gaat.

Zoals rechercheur Groeneveld uit Ede (niet: Epe) vertelt in de Leeuwarder Courant van 14 oktober.: “Als duidelijk wordt dat het kind op een sexuele manier is betast, maar de lichaamsdelen niet kan benoemen, maakt de rechercheur gebruik van twee Dick Bruna-achtige tekeningen waar een jongen en een meisje op een kinderlijke manier naakt staan afgebeeld. Het slachtoffertje moet uit zichzelf aanwijzen 'waar papa aan heeft gezeten'.” Volgens Groenveld zijn de tekeningen niet te vergelijken met de omstreden anatomische poppen die werden gebruikt op het kinderdagverblijf de Bolderkar. Immers, de piemel en de vagina zijn hier niet uitdrukkelijk aanwezig.

Sancta simplicitas. Natuurlijk is het buitengewoon belangrijk als 'verhoren' van kinderen worden vastgelegd op video, zodat kan worden gecontroleerd in hoeverre er suggestieve vragen zijn gesteld. Dat is winst. Maar het gebruiken van Bruneske anatomisch niet-correcte tekeningen ondervangt in geen enkel opzicht de bezwaren die er tegen de anatomisch correcte poppen bestonden. Het gaat er om dat dit type van onderzoeksmethode niet deugt. Nogmaals Van den Dungen: “Toch ligt het voor de hand dat elke onachtzaamheid inzake methodiek een directe relatie heeft met de beroepsethiek, ook al leidt een dergelijke onachtzaamheid niet altijd tot een zichtbaar conflict met de beroepscode. Dit laatste was wèl het geval in de twee zaken die hier werden besproken, voor een deel omdat het hier een omstreden en bovendien geruchtmakende methode betrof. De betrokkenen waren op hun qui vive (de cliënten zowel als degenen die als 'dader' worden aangewezen). Heel vaak echter zal het een techniek betreffen waarmee niet zo aan de weg wordt getimmerd, maar die in betrouwbaarheid niet veel verder reikt. Ook dan kunnen beroepsethische gevolgen optreden.”

Op rechercheur Groeneveld zal dat weinig indruk maken, veronderstel ik. In hetzelfde interview meldt hij dat uit onderzoek gebleken is dat een op de vijf kinderen het slachtoffer is van incest, en dat slechts drie procent van de aangiften later op leugens blijkt te berusten. Het is evenwel uit de literatuur op dit gebied duidelijk dat uiteenlopende onderzoeken tot uiteenlopende percentages komen; en men dient vooral niet bij voorbaat te denken dat 'het' dus wel waar zal zijn (en evenmin dat 'het' dus wel niet waar zal zijn). Dan wordt het natte vingerwerk, oftewel: de rechercheur speelt op amateuristische wijze voor psycholoog.

Overigens is dat een buitengewoon belangrijk vraagstuk. In hoeverre spelen rechercheurs voor psycholoog; en in hoeverre spelen psychologen voor rechercheur. Ik vrees dat er in beide gevallen meer en meer grensoverschrijdingen zijn. Het zou goed zijn indien beroepscodes dat verboden.