Parijs stelt vergelijking met Iran niet op prijs; Algerije geen nieuws in Frankrijk

PARIJS, 30 OKT. In de vroege jaren zestig moesten honderdduizenden Fransen hun bestaan in Algerije opgeven. Zij gingen een vaak moeilijk leven als pieds noirs in Frankrijk tegemoet. Ontheemd, berooid, zonder toekomstperspectief en boos op het land dat hun alle gerechtvaardigde illusies had ontnomen. De woedendste vechtpartij die ik in mijn leven ooit zag was tussen een pied noir, die een tractor uit onvrede met zijn lot een greppel instuurde en zijn tijdelijke werkgever, een verarmde Zuidfranse grondbezitter.

In 1993 bestaat de Franse gemeenschap in Algerije nog maar uit 25.000 mensen. Misschien dat hun beperkte aantal verklaart waarom Frankrijk tot nu toe rustig reageert op de kans van een nieuwe golf van repatrianten. Algerije is geen nieuws dat voorpagina's dag na dag vult. Erg voor de familie van de ontvoerden, maar niemand maakt zich al te druk over Algerije. Geen verhalen en tv-beelden over toen, geen paniek over hoe het nu moet. Alsof er niets op het spel staat.

Algerijns nieuws is bijna binnenlands nieuws. Zoals Noord-Ierland dat al zo lang in Engeland is: je kent de gegevens, het loopt steeds verder uit de hand, we hebben er alles mee te maken, maar het raakt ons niet. Alsof het een buitenland op een ander continent is. Toevallig nog waar ook.

Behalve als er weer moeilijkheden in de Franse voorsteden met een sterk Arabische bevolking zijn, over meisjes met hoofddoeken in de klas. Of erger. Dan kan Algerije irritant binnenlands zijn. Geen nieuws zijn de vele tweede generatie pieds noirs en geëmigreerde Algerijnen die het wèl gehaald hebben in Frankrijk, die gewooon kunstenaar, fabrieksarbeider of kantoormeneer zijn.

Kortom, meestal is Algerije voor Frankrijk een typische ex-kolonie: we kennen het gemeenschappelijke verleden, we hebben diverse soorten boter op ons hoofd, we behandelen elkaar als onafhankelijke bevriende staten, maar eigenlijk weten we wel beter. De pijnlijke geschiedenis verklaart veel, 24.000 Franse en 158.000 Algerijnse doden in een bloedige onafhankelijkheids-oorlog raken niet snel vergeten. Maar het heden alleen al is genoeg reden voor een verhoogde staat van paraatheid, met name in Franse financiële kringen.

Sinds de poging tot democratie in Algerije bijna twee jaar geleden mislukte en het islamitische FIS onder de duim wordt gehouden door een regering die op alle fronten de touwtjes uit handen ziet glijden, heeft Frankrijk geweten dat het gedwongen zou zijn op eieren te lopen. Een makkelijke politiek is niet beschikbaar. Frankrijk is de belangrijkste leverancier van Algerije en de tweede klant (na Italië). Algerije voorziet in één derde van de Franse gasbehoefte.

En bovenal: Algerije heeft een schuld bij Frankrijk van een miljarden-omvang die iedere gedachte aan simpelweg het veld ruimen uitsluit. Niet alleen de Franse overheid is steeds mee vooruit gevlucht, door steeds weer nieuwe herschikkingen van de enorme buitenlandse schuld van Algerije te organiseren, en nieuwe kredieten ter beschikking te stellen. Ook de grote Franse banken, waar de staat alle of de meeste aandelen in bezit, hebben kredieten uitstaan in Algerije die helpen verklaren waarom Parijs alle mogelijke moeite heeft gedaan het lijntje niet te laten breken.

Algerije is het grootste buitenlandse financiële risico dat bij de Coface, de Franse export krediet maatschappij verzekerd is. Vandaar dat de centrum-rechtse regering in Parijs nu niet wezenlijk anders kan opereren dan de socialistische van vòòr maart dit jaar. Over de royale aanwezigheid van de Algerijnse oppositie in Frankrijk wordt in het openbaar nog steeds geen woord vuil gemaakt. De vergelijking met Khomeiny vóór de val van de sjah wordt niet op prijs gesteld. Alle aandacht gaat nog steeds uit naar een constructieve steun voor het zittende regime in Algerije.

Vandaar dat president Mitterrand maandag wel een knuppel in het hoenderhok gooide toen hij tijdens zijn statige tv-vraaggesprek van anderhalf uur graag bereid was zijn beleid ten opzichte van Algerije toe te lichten. Alles werd gedaan, zo verzekerde hij, om de drie ontvoerde landgenoten terug te vinden, de ambassade ter plekke hield de vinger aan de pols. En, als het nodig was, dan werd repatriëring van alle in Algerije wonende Fransen overwogen.

Zijn optreden - het is sindsdien door één van zijn ondervragers met dat van een Venetiaanse doge vergeleken - leek de functie te hebben van een verklaring van politieke strijdbaarheid, coalitietje-pesten. Maar de routinier Mitterrand vermeed over het algemeen opmerkingen die de eenheid van regeringsbeleid al te zichtbaar ter discussie stelden.

Was dit dus wat de regering dacht? Uit wat de rest van de week volgde valt dat nauwelijks te concluderen. De zorgvuldigheid waarmee de diplomaten van de Quay d'Orsay sindsdien kalmte hebben gepredikt, wijst wel degelijk op een uiterst beleefde desaouvouering van Le Chef d'Etat. Alles goed en wel met de cohabitation douce, maar het staatsbelang gaat toch even voor.

De kenners van de Frans-Algerijnse betrekkingen zijn het er wel over eens: het FIS heeft het niet alleen op Fransen gemunt. Japanners, Filippijnen, Zuid-Amerikanen, alle buitenlanders in Algerije zijn vogelvrij. Maar Fransen hebben als doelwit wel de extra attractie dat het een aanslag op dat verleden, èn op de huidige sponsor-natie nummer één is. Alles wat het zittende regime in gevaar brengt is toegestaan.

Voor Parijs is Algerije een dilemma van het gevaarlijkste soort. Kiezen voor de nauwelijks-democraten aan de macht biedt nauwelijks meer perspectief dan de onbegaanbare weg van het omhelzen van de fundamentalisten die het land opblazen.

    • Marc Chavannes