Matthews' Idi Amin: angst, decadentie en lichamen in de rivier

Voorstelling: Eight kings for a mad song van Michael Matthews door Cosmic Illusion. Regie: Michael Matthews. Muziek: Rob Hauser. Spel: Jimi Ray Malary, Perla den Boer, Marsh Lynne Carter, Robert van den Dolder. Gezien: 28/10, Toneelschuur, Haarlem. Nog te zien: aldaar 29 en 30/10, tot 29/1 in het gehele land.

De van oorsprong Amerikaanse maar al jaren in Nederland wonende en werkende performer en theatermaker Michael Matthews heeft het graag over monsters. Toonde hij in Frank (1991, over Frankenstein) en Dracula (1993) de menselijke kant van fictieve monsters, de trilogie Eight kings for a mad song belicht het monster in de mens. De titel is een onduidelijke parafrase op Purcells Eight Songs For A Mad King. Ook nu schuwt Matthews de clichés niet: monsterachtige mensen - dat zijn vanzelfsprekend Pol Pot, Baby Doc en Idi Amin. Over de laatste gaat het eerste deel van de trilogie, getiteld Idi Amin Dada.

Op een overwegend leeg toneel, gedomineerd door een wisselend verlicht achterdoek en een soort balletbarre op wielen, verbeelden vier figuren de tragiek van Oeganda ten tijde van het bewind van Amin. Angst, onzekerheid en achterdocht gingen hand in hand met decadentie, onmetelijke rijkdom van enkelingen en pijnlijke imitatie van alles wat als westers ervaren werd. Zo gaat de vrouw van de machtige Minister of All Things (er wordt Engels gesproken in de voorstelling) gekleed in Chanelpakjes en Parijse avondtoiletten en haar man in een al te Europees kostuum. Behalve over onmenselijke wreedheid gaat de voorstelling daardoor ook over de verloochening van de eigen cultuur - die typische Derde Wereld-neiging. Die is ontwrichtend want het loopt natuurlijk fout af met deze lieden.

Zij zijn slechts produkten van Amin - die we niet te zien krijgen. Heel Oeganda krijgt gestalte in het ministersechtpaar en hun twee bedienden. Die worden uiteraard gekoeioneerd: in hun onderwerping roken zij zelfs de sigaretten op waar hun meesters trek in hebben en ook de salonfähige maar vermoeiende aerobic-les nemen zij op zich. Hoe compleet de identificatie is, blijkt aan het slot als de minister - uit de gratie bij Amin en dus ten dode opgeschreven - zijn bediende beveelt hem te doden. In plaats van eindelijk wraak te nemen, doodt de dienaar zichzelf. Dat zijn meester deze keer ook slachtoffer wordt van de vereenzelviging en sterft, kon hij niet voorzien.

Matthews doet zijn uiterste best het verhaal te stileren. Hij laat zijn daartoe uitstekend toegeruste (op een na zwarte) spelers dansen en zingen, op welluidende muziek van Rob Hauser. Toch ontkomt hij niet aan nadrukkelijkheid, die de voorstelling vaart ontneemt. De passage waarin de vrouwelijke bediende (Marsh Lynne Carter) over Amins gruweldaden vertelt, is te lang, omdat zij had kunnen volstaan met het nu ook telkens terugkerende zinnetje: “Bodies are floating on the river”. En de rolinterpretatie van bij voorbeeld haar meesteres (Perla den Boer) is te eendimensionaal: haar campy poses gaan vermoeien op den duur.

Sterk is daarentegen de demonstratie van martelmethoden door Robert den Dolder, de mannelijke bediende, met behulp van een Zwarte Piet-pop. Deze scène blijft niet steken in abstracte bespiegelingen, maar is, niet in de laatste plaats dank zij Den Dolder, direct, onontkoombaar en pregnant. Het tafereel is een bewijs van de ontwikkeling van de regisseur Matthews; voorheen waren zijn voorstellingen weleens te cerebraal, Idi Amin Dada is, hoewel te lang, tastbaar en bijna smeuïg theater.

    • Pieter Kottman