Lonend werk

HET GROOTSTE SCHANDAAL in Europa is dat de EG in vergelijking met de Verenigde Staten en Oost-Azië de laagste deelname aan het arbeidsproces en de hoogste werkloosheid heeft. Aldus Jacques Delors, de sociaal-democratische voorzitter van de Europese Commissie. In schrille tonen schetste hij onlangs dat Europa voor de tweesprong staat tussen neergang en overleven. Ten behoeve van het behoud van het Europese sociale weefsel pleitte hij voor politieke moed om te veranderen.

De Europese Commissie komt over een maand met een Witboek over werkgelegenheid. Dit moet een uitweg bieden voor het economische dilemma waarvoor de Gemeenschap zich geplaatst ziet: een nieuw evenwicht vinden tussen welvaartsstaat en concurrentievermogen. Tegen het jaar 2000 moeten, in de plannen van de Commissie, twintig miljoen nieuwe banen zijn ontstaan om de gemiddelde Europese werkloosheid te halveren naar vijf procent. Dat is een even lovenswaardige als ambitieuze doelstelling die met traditionele lapmiddelen en banenplannen nooit valt te bereiken - de EG-schatkisten hebben daar trouwens ook geen geld voor. Gedurfde aanpassingen van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid zijn onvermijdelijk.

Bij zijn aantreden in 1985 bracht Delors, gesteund door de Britse commissaris Lord Cockfield, de EG in beweging met de lancering van het plan voor de interne markt. 'Europa 1992' zou voor nieuw elan en voor meer groei zorgen. Verruiming stond synomiem met versterking. Daar kwam in 1990 een onverwachte impuls bij door de uitbreiding van Duitsland met een economie die van onder tot boven nieuw opgebouwd moest worden.

Toen tegen 1992 de recessie op het Europese continent toesloeg, overschaduwden de opening van Oost-Europa en de ontdekking van de Oostaziatische dynamiek - veel te lang door de Europese politieke elite genegeerd - de verworvenheden van de interne markt. Haastig formuleerde de EG-top in Edinburgh een groei-initiatief. Maar dat sloeg nauwelijks aan. Bestuurders, bedrijven en burgers merkten dat de monetaire afspraken in de EG een knellend harnas vormden en dat de sociaal-economische flexibiliteit ontbrak om de crisis te lijf te gaan. Waar de Verenigde Staten in de jaren tachtig de banengroei met succes herstelden door met marktwerking de kosten van arbeid te drukken, faalde de Europese arbeidsmarkt. Vastgeroeste verworvenheden hielden aanpassingen tegen.

Sommigen, niet alleen in Frankrijk maar in Nederland bijvoorbeeld prof. Van der Zwan, zoeken het antwoord in een roep om protectionisme: afscherming van Europa tegen het concurrentievermogen van lage-lonenlanden. Anderen verwachten de oplossing van concurrerende devaluaties. Dat zijn de verkeerde recepten voor een verkeerd gediagnostiseerde kwaal.

HET WERKLOOSHEIDSPROBLEEM van Europa bestaat voor het overgrote deel uit hoge bruto loonkosten en uit knelpunten aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De verzorgingsstaat en de bijbehorende premies hebben werk uit de markt gedrukt. Herstel van werkgelegenheid vraagt daarom om een tweeledige aanpak: verlichting van de premiedruk op arbeid ter verlaging van de loonkosten en schepping van ongeschoold werk. Met andere woorden: werk moet in West-Europa weer lonend worden.