Koloniaal trauma blijft pijn doen

Over de Nederlandse rol in de Indonesische dekolonisatie wordt tegenwoordig geheel in morele termen gesproken. Dus weerklinkt de roep dat premier Lubbers bij zijn aanstaande bezoek aan Jakarta excuses moet aanbieden voor de politionele acties. Toch mag worden bedacht dat Nederland zijn koloniale guerrilla maar twee jaar voerde. Dat is in het bredere Westeuropese leerproces van de dekolonisatie niet overmatig lang.

Het lijkt erop alsof de hedendaagse oordeelvorming over het Nederlandse optreden in de dekolonisatie van Indonesië volledig is gemoraliseerd. De katholieke vredesorganisatie Pax Christi wil zelfs dat de Nederlandse minister-president (en niet de Nederlandse bisschoppen?) openlijk zijn spijt betuigd over de politionele acties bij zijn komend bezoek aan Jakarta. De toonzetting is die van 'oorlogsmisdaden' en van een traumatisch en onverwerkt verleden. En in een televisieprogramma over dit onderwerp, zoals de NCRV dat dinsdagavond uitzond, wint de morele verontwaardiging het permanent van feitelijke zorgvuldigheid.

Deze tendens tot moralisering heeft een zekere traditie in het publieke debat in Nederland, maar wordt nog versterkt door de psychische belasting van een twijfelachtig verleden. Twee categorieën evenaren elkaar daarin: de Indië-veteraan, die de leeftijd heeft bereikt om de balans op te maken en wiens inzet niet meer wordt begrepen, misschien ook niet door hemzelf; of de ex-communist, die in de erfenis van een ontluisterde CPN feiten zoekt, waarmee een vroegere adhesie aan de partij ook nu nog kan worden gerechtvaardigd.

Door de visumweigering aan Princen is indirect het nieuwe veteranenbeleid aan het licht getreden. De Nederlandse regering is recent ertoe overgeggaan haar oud-strijders te begrijpen en te ondersteunen. Dat dat niet veel eerder is gebeurd, heeft vermoedelijk te maken met het feit, dat haar leger tot dusver de oorlogen in deze eeuw heeft verloren. De Nederlandse strijdkrachten verloren de oorlog in mei 1940. Maar die nederlaag werd als een vroege poging tot verzet in de bevrijding van 1945 meegenomen en in de hoogtij van de Koude Oorlog geïnterpreteerd als een historische les, die geleerd moest worden door de afwijzing van de neutraliteit en door een opvoering van de militaire paraatheid. De offers waren niet vergeefs.

De nederlaag in Indonesië resulteerde in een politieke wrok jegens Soekarno. Toen het restant ervan aan het bittere einde van de kwestie Nieuw-Guinea kon worden opgeruimd, sloeg de stemming om. De tijd was gekomen om 'tegels te lichten' en de koloniale oorlog vooral in termen van politiek onbegrip van Nederlandse kant en van geweldsexcessen te beoordelen. Welke zin hadden de offers dan gehad?

De CPN heeft, vooral vanaf het moment dat haar hoop op regeringsdeelname was vervlogen, oppositie gevoerd tegen de militaire aspecten van het regeringsbeleid inzake Indonesië. Communisten hebben in 1946 in het parlement en op straat geopponeerd tegen het verschepen van dienstplichtigen naar Indië. De partij heeft de parlementaire oppositie herhaald tijdens de politionele acties. Haar krant was een van de belangrijkste bronnen van informatie over geweldsexcessen van Nederlandse militairen. Het CPN-kader heeft de dienstweigeraars moreel en materieel ondersteund.

Het gelijk achteraf is overweldigend, maar er is één uitzondering. De CPN heeft in 1949 tegen de soevereiniteitsoverdracht gestemd en op die manier het verkrijgen van de noodzakelijke tweederde meerderheid verzwaard. Men weigerde steun aan de regering van Soekarno en Hatta, die een jaar tevoren een communistische opstand op Midden-Java had neergeslagen. Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog was deze liquidatie zowel een reden voor de Verenigde Staten om Soekarno te steunen als een motief voor de CPN om hem (tijdelijk) af te wijzen. Haar stemgedrag bewijst, dat ook in de Indonesische kwestie de communistische fractie opportunisme niet heeft laten varen.

Terwille van een discussie, die eigenlijk ook verklaringen zou moeten opleveren en nuttige inzichten, kan men zich afvragen of regering en parlement in de jaren van de dekolonisatie in redelijkheid tot de besluiten konden komen, die ze feitelijk hebben genomen respectievelijk goedgekeurd. Dat betekent, dat men zulke beslissingen weegt in hun historische context; niet uitsluitend met wetenschap en in wijsheid achteraf. Ik wil enkele argumenten noemen uit de toenmalige politieke besluitvorming met betrekking tot de inzet van strijdkrachten.

De plannen tot militaire interventie in Indonesië zijn al bedacht voordat de Indonesische onafhankelijkheid werd uitgeroepen. Het leger was al voorbestemd om de Japanse bezettingsmacht te bestrijden of te ontwapenen. Na de Japanse capitulatie en de proclamatie van de republiek Indonesië veranderde dat perspectief nauwelijks. Het werd nu herstel van orde en rust, een oud-koloniale opdracht maar inclusief de bijzonderheid, dat in de chaos van de Indonesische revolutie nog tal van Nederlanders in de interneringskampen bleven en hun lijfsbehoud een militair optreden noodzakelijk maakte.

Het feit dat de gevangenen van het Japanse regime hun internering verlengd zagen onder Indonesisch toezicht, heeft belangrijk bijgedragen tot de legitimatie van een militaire krachtsinspanning. Geen regering kon het zich veroorloven werkloos te blijven toezien, hoe in Indonesië tientallen burgers tot in 1946 feitelijk gegijzeld werden. Het was het meest uitdagende aspect van een evident Nederlands machtsverlies in zijn kolonie. De regering-Schermerhorn werd in dit opzicht vanaf begin 1946 op de hielen gezeten door een kritische parlementaire meerderheid.

De publieke afschuw van deze gijzeling werd vergroot door het feit dat de Indonesische revolutie in haar beginfase ongemeen gewelddadig was. De eerste militaire acties op grote schaal zijn door Britse troepen ondernomen; de bloedigste strijd was hun verovering van Soerabaja in november 1945, het symbool van Indonesisch revolutionair verzet. Het zijn zulke gegevens geweest, die de Nederlandse autoriteiten hebben bewogen tot een grote militaire inzet op het moment, dat de Britse troepen hun naoorlogse taak in Indonesië als voltooid beschouwden.

Toen eind november 1946 Nederlandse autoriteiten hun deel van het bestuur van de Britten overnamen, lag er een onder Britse druk tot stand gekomen akkoord van Linggadjatti tussen Nederland en Indonesië. Het werd de op diplomatie georiënteerde politici aan Nederlandse en Indonesische kant niet in dank afgenomen. De ondermijning ervan door een verenigde Nederlandse oppositie van politici, militairen en kolonisten is bekend. Maar ook achter de Republiek Indonesië ging een fragiel bestel schuil van rivaliserende politieke elites en eigenmachtige militaire ondercommandanten, dat niet het stevige fundament was voor aanvaarding van een diplomatieke overeenkomst met onvermijdelijke concessies.

Was de eerste grote militaire actie van Nederlandse kant in juli 1947, die de bestandslijnen vervaagde en een complete guerrilla veroorzaakte op Java en Sumatra, dan onvermijdelijk? Het antwoord is neen, maar de politieke manoeuvreerruimte was onder de druk van de economische omstandigheden, de koloniale oppositie en de grootschalige militaire inzet wel bijzonder smal. Een beperkte actie, die ook ondanks de overwinningsroes van de militairen tot het eind toe beperkt bleef, kon dan wel eens als de beste van de kwade oplossingen worden gezien.

Nederland heeft deze typisch koloniale guerrilla twee jaar gevoerd en toen het hoofd gebogen voor internationale, vooral Amerikaanse druk en de groeiende militaire verlieslijsten. Twee jaar is lang. Maar in het Westeuropese leerproces van de onvermijdelijkheid van de dekolonisatie is de duur van de Nederlandse les in vergelijking met die van Frankrijk en Portugal niet uitzonderlijk. En bovendien is de terugtocht in de Nederlandse verhoudingen uitgevoerd onder het primaat van de politiek; dat wil zeggen zonder dat de militairen de overhand kregen op de politici. Dat was elders ook wel eens anders.

    • Jan Bank