'Kinderen weghalen uit hun eigen omgeving, dat werkt in dit land niet'

Het Nederlandse vrouwenturnen verkeert in crisis, nu het oude centralistische systeem is ingestort en de nieuwe structuur nog niet is opgebouwd. Woede en frustratie lijken zich te concentreren op de 32-jarige bondscoach GERT JAN NIEUWSTAD: vechter, ziener, martelaar. Gert-Jan Nieuwstad: kop van Jut.

Als je officials en juryleden en sommige trainers op vergaderingen over hem hoort, verschijnt het beeld van een meeloper, zonder ruggegraat, nog ondeskundig ook, die schijt heeft aan collega's. Een bondscoach zonder turnsters, zonder beleid, zonder achterban, die zich op bijeenkomsten van de bond als manusje-van-alles laat gebruiken. Wiens voorstellen voor verandering van de wedstrijdoefenstof niet eens werden gesteund door zijn eigen bestuur.

Als clubtrainers onder vier ogen over hem spreken, zijn de meesten milder. Een prima vent, zeggen ze. Daarbij een goede trainer. Maar speelbal van partijen. In een onmogelijke positie. Hij kan niks goed meer doen.

Hij is wel gewend om onder vuur te liggen. Om te worden belaagd en belasterd. Hij kent niet anders. Dat is al zo sinds hij in 1987 als assistent-trainer op het turninternaat Papendal terecht kwam. Eerst onder Ronald Walter, later als helper van Boris Orlov, daarna als rechterhand van Reinhard Tietz.

Verdeeldheid, machtsstrijd, stammentwisten lijken nu eenmaal inherent aan de wereld van het Nederlandse vrouwenturnen, waar “de stuurlui aan wal een veel te grote invloed hebben”, zoals Nieuwstad het uitdrukt. Veel conflicten vloeien ook voort uit de kloof tussen top en basis. Gevolg van het centrale systeem dat de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Bond in navolging van de oostbloklanden had geadopteerd.

Kennis, faciliteiten, toptalenten werden op Papendal geconcentreerd. En de verenigingen? Die moesten het zelf maar uitzoeken. Die mochten als aanvoerpunten dienen. Waarom zou je als bond in de clubs investeren? Dan kon je jaren wachten op de resultaten. De prestaties van Papendal waren toch goed genoeg.

Nieuwstad zegt dat hij nooit in het centrale systeem geloofd heeft. “Kinderen weghalen uit hun eigen omgeving, dat werkt in Nederland niet.” Een centraal systeem kan in onze maatschappij alleen maar nut hebben in een overgangsfase, vindt Nieuwstad. Om kennis en kwaliteiten samen te ballen. “Tegelijkertijd had de volgende fase al moeten worden voorbereid. Het heeft me verbaasd dat dit niet is gebeurd.”

Zo'n decentralisatie, die het wedstrijdturnen een breder draagvlak moet geven, had zich dan “geluidloos” en “pijnloos” kunnen voltrekken. Maar toen die ontwikkeling uitbleef, werd de afstand tussen basis en centrale almaar groter. “Daardoor werd ook de stap om in een decentraal systeem te investeren steeds moeilijker.” Tegelijkertijd nam het wederzijdse wantrouwen toe. “Tot de situatie niet meer was te houden. Dan stort het kaartenhuis opeens in elkaar. Dan is er alleen nog maar chaos.”

Ondanks zijn weerzin tegen het centraal systeem, heeft Nieuwstad daar jarenlang aan meegewerkt. Hij was mede-verantwoordelijk voor de vervreemding tussen top en basis. Dat geeft hij ook toe, maar hij zegt dat hij binnen de bond voortdurend voor decentralisatie gepleit heeft. Dat hij zich met alle macht voor wijziging van de koers heeft ingezet. Al werd hij behandeld als “een landverrader”. Al voelde hij zich vaak een roepende in de woestijn.

“Sommige mensen reageerden alsof ik hen hun kind ontnam. Ze zeiden: 'Hoe kom je erbij om onze positie en die van jezelf te ondermijnen?' Dan zei ik: 'Als we zo doorgaan, ondergraven we het hele turnen in Nederland'.”

Maar ook mensen die fulmineerden tegen Papendal, hielpen het centraal systeem in stand houden, zegt Nieuwstad. “Dat glazen huis had voor hen ook een functie. Ze hoefden de hand niet in eigen boezem te steken. Ze waren niet verantwoordelijk voor hun eigen prestaties. Hun gesublimeerde frustratie smeten ze tegen de wanden van dat glazen huis.”

De afbraak van het centraal systeem, terwijl de opbouw van een decentrale structuur nog in de beginfase verkeert, heeft het Nederlandse vrouwenturnen in diepe crisis gestort. Nieuwstad maakt zich geen illusies: “Het dal wat prestaties betreft is nog lang niet bereikt.” Na de eervolle 22e plaats die Elvira Becks bij de Olympische Spelen haalde onder leiding van Nieuwstad, gaapt de grote leegte. “De eerstkomende jaren hebben we geen senioren-turnsters. Bij EK's en WK's zullen we niet aanwezig zijn.”

Dat de infrastructuur al wel vooruitgang toont, wat betreft accommodaties en professionalisme van trainers, dat zal pas later vrucht afwerpen. “Wat je nu zaait, zie je pas over vier tot acht jaar op de wedstrijdvloer weer terug. Meedoen in Atlanta kunnen we dus vergeten. Deelname aan de Spelen in 2000 zou nog wel kunnen. Mikken op 2004 is realistischer.”

Nieuwstad zegt dat veel mensen in het vrouwenturnen nog altijd weigeren om die harde werkelijkheid onder ogen te zien. Hij spreekt over een “rouwproces”, over opgekropte boosheid, tomeloos verdriet, blinde ontkenning. Onvermijdelijke reacties bij de teloorgang van een vermaledijd systeem, dat ondanks alles houvast bood.

Dat de voorstellen voor wijziging van de wedstrijdoefenstof, die hij nog samen met Boris Orlov had ontwikkeld, vorige maand door clubtrainers en eigen bestuur werden weggewimpeld, wijt hij ook aan terugverlangen naar een verleden dat voorgoed voorbij is. Het Nederlandse wedstrijdwezen is verdeeld in een A-, een B-, een C-niveau. En hij vond dat de oefenstof van die niveaus dichter bij elkaar gebracht moest worden, ter bevordering van de samenhang. Dat betekende dat het A- en B-niveau een fractie zouden worden verlaagd, terwijl het C-niveau werd opgewaardeerd.

Die aanpassing zou leiden tot een verlaging van het gemiddelde wedstrijdniveau. Nieuwstad wil dat niet ontkennen. Maar hij zegt dat een stapje terug niet meer dan realistisch is. Dan komt hij met cijfers. Dan vertelt hij dat de jaarlijks “instroom” van jonge turnsters van 500 naar 80 teruggelopen is. Dan kwalificeert hij de “leegloop” op het A-niveau als “angstaanjagend”. “Als je aan dat niveau geen concessies doet, hou je starks geen turnster meer over die aan de eisen voldoet. In deze opbouwfase moet je eerst kiezen voor vulling van het systeem. Die kwantiteit heb je nodig om de kwaliteit op langere termijn te ontwikkelen.”

Aanvankelijk voelde Nieuwstad zich in die opvattingen ook gesteund door het bestuur, in elk geval door de leden van de sectie wedstrijdsport. Ook de meeste trainers van een klankbordgroep, bij wie hij zijn ideeën had getoetst, konden zich vinden in zijn visie. Maar bij de bijeenkomst, waarop de voorstellen voor de nieuwe wedstrijdoefenstof moesten worden goedgekeurd, werd Nieuwstad plotseling geconfronteerd met een sterke “anti-lobby”, nota bene georganiseerd “door leden van het bestuur, die hun persoonlijk belang lieten prevaleren boven het algemeen belang”. Nieuwstad, met een vreugdeloos lachje: “Ik voelde me beentje gelicht.”

Nee, zegt Nieuwstad, hij heeft er geen spijt van dat hij na de Olympische Spelen niet is ingegaan om de aanbiedingen uit Frankrijk en Canada. Ook al zou zijn leven er dan waarschijnlijk heel wat rustiger hebben uit gezien. Maar hij is geen “opgever”, hij is geen “wegloper”. Als hij was vertrokken, had hij dat als “nederlaag” gezien.

Toen hij vorig jaar zijn plaats als trainer in de zaal verruilde voor de functie van bondscoach, wist hij dat hij als pispaal en schietschijf zou dienen. Zo was het ook afgesproken met Boris Orlov, die parttime bondstrainer werd. Nieuwstad zou als schild, als bliksemafleider fungeren. Zodat achter zijn rug de prille opbouw van de nieuwe structuur ongestoord kon verder gaan.

Maar hij had het zich toch anders voorgesteld. Samen met Orlov, die hij als zijn leermeester beschouwt, zou hij het vrouwenturnen in Nederland weer op poten zetten. Hij had zich zelfs bereid verklaard een stap opzij te doen ten gunste van zijn grote bondgenoot. Orlov zou dan fulltime-trainer worden, Nieuwstad parttime-coach.

Nieuwstad koos voor die constructie “omdat Boris toch een geweldige toegevoegde waarde kan leveren aan het Nederlandse turnen”. “Die man heeft een kennis, een kwaliteiten, met name pedagogisch. En een unieke visie op het turnen. 'Turnen is kunst', zegt ie. 'Turnen is beeldhouwen. Je hebt een stuk klei, en dat stuk klei heeft iedereen, maar jouw vingers bepalen wat voor vormen er uit die klei tevoorschijn komen.' Een revolutionaire kijk die me altijd aangesproken heeft.”

Maar een maand nadat Orlov zijn contract tot 1996 had getekend, trok hij zich plotseling terug. “Hij zag de bui al hangen, die nu in alle hevigheid boven ons losbarst. En hij had al zo vaak moeten knokken. In de laatste drie jaar van zijn carrière wilde hij niet weer die strijd.”

Nieuwstad kon dat wel begrijpen, maar hij voelde zich ook in de steek gelaten. Zwaar teleurgesteld. “Sodeju, dacht ik, had je dat niet een paar maanden eerder kunnen bedenken? Ik had toch een stuk eigenbelang voor het algemeen belang opzij gezet.”

Na het wegvallen van Orlov, die naar Duitsland is vertrokken, heeft Nieuwstad toch weer een volledige baan bij de gymnastiekbond. De helft van de tijd probeert hij als bondscoach de regionale activiteiten te ondersteunen. Hij gaat de clubs langs om zijn kennis te verspreiden. Verder onderhoudt hij als consulent topsport de contacten met de topsportpartners, doet hij technisch management voor de KNGB.

Maar zijn voornaamste functie is nog altijd mikpunt van frustratie en kritiek. Hij kan daar wel mee leven, “omdat ik weet dat die uitbarstingen niet persoonsgebonden zijn, ook al zijn ze op de man gericht”. Wel erkent hij dat martelaar zijn van turnend Nederland geen onverdeeld genoegen is.

Kap er toch mee, zeggen de mensen om hem heen. “Maar dat is de weg van de minste weerstand. Ik loop niet om problemen heen.” Daarvoor voelt hij zich ook te verantwoordelijk voor het Nederlandse turnen. “Want als ik wegga, wie stapt er dan in? Ik denk niet dat die functie weer snel ingevuld zal worden. Dan staat het hele beleid op losse schroeven. Dan zijn we terug bij af.”

Wel ziet hij de komende drie jaar als “een cruciale periode”, niet alleen voor het vrouwenturnen in Nederland, ook voor zichzelf. “Als de nieuwe aanpak dan niet werkt, wordt het tijd om eens te kiezen voor mezelf. Er moet wel perspectief zijn. Ik ben geen Don Quichotte.”

Nu kiest hij nadrukkelijk niet voor zichzelf. “Dat is nogal duidelijk”, zegt hij, met een van pijn vertrokken gezicht, alsof hij net pas de draagwijdte van die keuze beseft. Hij offert al jaren zijn leven aan het turnen. Zeven dagen in de week.

“Dat was wel behoorlijk eenzijdig”, dacht hij na afloop van de Spelen. Nu zegt hij: “Het kan ook niet anders. Die onvoorwaardelijke inzet eis je ook van de sporters met wie je werkt. En die absolute keuze heeft me ook veel moois gegeven. Dat intense contact. Verleggen van grenzen. Balanceren op de toppen van je kunnen. Van himmelhoch jauchzend tot zum Tode betrübt. Een verademing toch in onze grijze, grauwe maatschappij.”