JENKINS: SIERLIJK POLITIEK PROZA

Portraits and Miniatures door Roy Jenkins 320 blz., Macmillan 1993, ƒ 62,25 ISBN 0 333 59282 4

De Britse staatkundige gedenkschriftencultuur mag deze maand gebukt gaan onder het gewicht van Mrs Thatchers 'blockbuster', ze is nog altijd ruim bedeeld met boeken van een fijnzinniger genre. Een sierlijk voorbeeld daarvan is de verzameling miniatuur-biografieën, boekbesprekingen en toespraken die de vroegere voorzitter van de Europese Commissie en Labour-minister, thans Hogerhuislid voor de Liberale Democraten, Roy Jenkins zojuist heeft gepubliceerd. Het is een boek van een civiele omvang dat het handschrift draagt van een klassieke man of letters, die zijn gedachten geserreerd uitdrukt in elegant proza.

De opstellen die Roy Jenkins met regelmaat in het zondagsblad The Observer publiceert over de staatkundige en diplomatieke geschiedenis van Engeland zijn weliswaar niet van de historische substantie van A.J.P. Taylors Observer-stukken (die vervolgens werden omgebouwd tot standaardwerken), maar ze zijn onderhoudend en rijk aan pregnante anekdotes. Ook Jenkins schrijft beeldende en oorspronkelijke zinnen die de lezer lang bijblijven.

Zo typeert hij premier Clement Attlee (in wie de Britse kiezers in 1945 een groter vertrouwen hadden dan in de vermoeide oorlogsheld Winston Churchill) als 'de slechtste spreker, de minst innemende persoonlijkheid, en veruit de beste voorzitter van de ministerraad''. Attlee had die laatste kwaliteit ontwikkeld bij de gratie van Churchills frequente bezigheden buitenslands: 'Dan was de retoriek afwezig en werden er snel en nauwkeurig beslissingen genomen.''

De eerste naoorlogse socialistische premier was volgens Jenkins niet de onaangedane beul van falende ministers waarvoor hij vaak werd gehouden. Attlee stuurde staatssecretarissen met groot gemak de laan uit, 'maar dat was zoiets als het schieten van kuikens''. Met groot wild, zoals met de intellectuele zwaargewicht Hugh Dalton, ging hij behoedzamer om. 'Hij was vermoedelijk opgelucht toen Dalton politiek de hand aan zichzelf sloeg, maar hij had de trekker niet overgehaald.'' Van zijn partijgenoot Arthur Greenwood ontdeed hij zich wel toen die ten slotte alleen nog maar bereid was zijn lopende zaken af te handelen in de gelagkamer ('snuggery') van het Charing Cross Hotel.

Het premierschap woog Attlee minder zwaar dan deze zelf had verwacht. Het ambt liet hem, zo vertelde hij Jenkins eens, meer vrije tijd toe dan enig andere functie die hij had vervuld. Dat vloeide vooral voort uit de omstandigheid dat hij in Downing Street 10 'boven de winkel woonde' en daardoor bevrijd was van de last om dagelijks uren te verdoen in de ondergrondse of in de trein, waartoe de buiten Londen wonende forens veroordeeld was.

AANLEIDING

De boekbesprekingen die Jenkins in dit boek heeft samengebracht (waaronder opstellen over de geschiedenis van The Times en The Observer en de ontwikkeling van het Engels als wereldtaal) hebben ook deze karakteristiek met de 'reviews' van Taylor gemeen, dat ze weinig zeggen over de boeken waaraan ze ontleend zijn maar des meer over de intellectuele persoonlijkheid van de bespreker. Die boeken zijn veelal niet meer dan een aanleiding voor een min of meer op zichzelf staand essay over de politieke geschiedenis of een miniatuur-portret van een staatkundige figuur. Jenkins is een erkende specialist die in deze categorie geschiedschrijving intussen een indrukwekkend oeuvre op zijn naam heeft gebracht, waaronder enkele zeer leesbare, compacte (veelal niet meer dan 200 bladzijden dikke) biografieën van Asquith, Balfour, Baldwin en Harry S. Truman.

In dat rijtje zou ook een biografie van Beaverbrook hebben gepast, want Jenkins heeft veel op met deze interessante en goedaardige schavuit, die als een gepassioneerd verzamelaar radicale journalisten aan zijn redacties verbond en onder meer de jonge Michael Foot een gezichtsbepalende functie bij de Evening Standard bezorgde. Jenkins beperkt zich in dit boek tot een slechts enkele bladzijden tellend 'miniatuur' van Beaverbrook, van wie hij een positiever beeld heeft dan de meeste tijdgenoten uit het Lagerhuis van deze Canadees-Engelse krantenmagnaat hadden. Beaverbrook liet zich de reputatie van manipulator van mensen graag aanleunen, maar hij werd, zo schrijft Jenkins, behoed 'voor de grootheidswaan van een Citizen Kane'', doordat hij meer dan gemiddeld geestig was en zowel gewild als ongewild de lachers op zijn hand kreeg ('a considerable provoker of laughter, both intentionally and unintentionally'').

Als gevolg van zijn soms dubieuze roem als eigenaar van een aantal nationalistische, populaire kranten is Beaverbrook de geschiedenis ingegaan als een roddelbladenmogol, maar Jenkins wijst erop dat de Daily Express in Beaverbrooks dagen een door en door fatsoenlijke krant was, waarin obsceniteit of wellustigheid niet voorkwam. 'Beaverbrook eerbiedigde de persoonlijke levenssfeer van publieke figuren op een manier die men zich vandaag niet meer kan voorstellen.'' Net als Taylor (die een enigszins blinde bewondering voor de vroegere William Maxwell Aitken had) slaat Roy Jenkins ook de geschiedschrijver Beaverbrook hoger aan dan gewoonlijk gebeurt en hij baseert dat oordeel op diens boek Men and Power, waarin de courantier Beaverbrook inderdaad een verrassend scherpzinnig inzicht toont in machthebbers en economische feiten uit de jaren rondom de Eerste Wereldoorlog.

Jenkins' lapidaire stijl is op z'n sterkst in de beschrijving van publieke figuren uit zijn persoonlijke omgeving die niet altijd op zijn volle sympathie konden rekenen. Richard Crossman, met wie hij in een aantal kabinetten ambtgenoot was, was een notoire slaper, 'die in kabinetsvergaderingen vaker onder zeil raakte dan ik me van iemand kan herinneren, maar als hij niet sliep wist hij als geen ander de rest van ons wakker te houden''. Crossman combineerde zijn leven lang de politiek met de journalistiek en was in wezen meer een schrijver dan een bewindsman. Jenkins zag hem vooral als een verbaal artiest, 'een spreker die zijn universitaire onderwijsmethode uit Oxford in de politiek had geïmporteerd''. Hoewel hij Crossmans roemruchte ministeriële dagboeken als een monument beschouwt, vond hij hem een pover minister - onmiskenbaar een intellectueel van formaat en een man van uitzonderlijke intelligentie, maar een zeer matig uitvoerend bewindsman: 'meer geïnteresseerd in argumenten dan in resultaten''. Roy Jenkins had niettemin een zwak voor Crossmans grote mond, 'een even geboren leraar als commentator'', getuige het volgende fraaie lofschrift: 'Een agressief geleid seminar, onder zijn voorzitterschap, was zijn idee van het paradijs.''

NYE BEVAN

Het markantste opstel over de figuren met wie Jenkins zijn politieke leven heeft gedeeld gaat over Aneurin (Nye) Bevan, die zowel bewieroking als blinde haat teweegbracht. De immer schrandere Michael Foot schreef een volslagen onkritische biografie waarin Bevan een god was geworden; Churchill noemde Bevan in 1945 'een even grote vloek voor zijn land in vredestijd als een ellendige lastpost tijdens de oorlog'' - de afrekening voor Bevans hatelijke kritiek in 1942 dat Churchill in het Lagerhuis het ene debat na het andere had gewonnen en aan het militaire front de ene slag na de andere had verloren.

Bevan bracht een verdeeldheid in zijn eigen partij te weeg, die leidde tot een bizarre polaire groepsvorming waarin de politieke vrienden van Bevan en de politieke vrienden van Gaitskell elkaar haatten met een intensiteit die elders alleen onder communisten voorkwam. Jenkins ('Gaitskellite'), die gedurende twaalf jaar samen met hem in het Lagerhuis zat, had jarenlang geen enkel contact met de leider van het andere kamp als gevolg van 'de hermetische afsluiting der kampen'. 'Hoewel Bevan een groot deel van mijn gedachten over de tactiek beheerste en alomtegenwoordig was in mijn eerste politieke jaren, liep hij ons in de wandelgangen voorbij met de kwade minachting van een leeuw, zonder een woord te zeggen of zelfs maar te knikken.''

    • H.A. van Wijnen