India; Alles wat een vrouw in India niet hoort te zijn

NEW DELHI, 30 OKT. Ze is een kleine vrouw van in de dertig uit een lage kaste, en ze zucht al meer dan tien jaar in de gevangenis. Lezen of schrijven kan ze niet, maar vrijwel heel India kent haar. Phoolan Devi, de beruchte bendeleidster die begin jaren tachtig met haar mannelijke metgezellen dood en verderf zaaide in de streek ten zuiden van de stad Agra.

Voor sommigen is Phoolan, zoals ze bijna liefkozend wordt genoemd in de media, een heldin. Politieke partijen overwegen haar kandidaat te stellen bij belangrijke regionale verkiezingen deze herfst. Voor anderen is ze het kwaad in levende lijve. Toen ze nog op vrije voeten verkeerde, was ze in elk geval zo'n beetje alles wat een vrouw in India niet is of althans niet wordt geacht te zijn. Ze was crimineel, gewelddadig en een leidersfiguur.

Al vroeg nam Phoolans leven een dramatische wending. Toen ze een jaar of zestien was, werd ze ontvoerd door dacoits - de Indiase uitgave van bandieten. Haar ontvoerders behoorden tot een hogere kaste, die van de Thakurs. Een van hen dwong de jonge Phoolan om zijn matresse te worden. De eigenzinnige Phoolan werd echter verliefd op een dacoit van haar eigen Mallah-kaste. Die affaire stond de Thakur-bende in het geheel niet aan en zonder pardon vermoordden ze enige tijd later Phoolans geliefde.

Dan begint een periode waarover nog steeds een waas van geheimzinnigheid hangt. Een razende Phoolan richtte toen volgens de meeste berichten een eigen bende op, die er vooral op uit was wraak op de Thakurs te nemen. De hardvochtige Thakurs, die in dit deel van India, al eeuwen de dienst uitmaken, zijn bij de lagere kasten niet geliefd. Verzet tegen de heerschappij van de Thakurs was echter hoogst ongebruikelijk.

In februari 1981 sloeg de bende van Phoolan toe bij het plaatsje Behmai, net binnen de grenzen van de deelstaat Uttar Pradesh. In een orgie van geweld werden twintig Thakurs gedood. Phoolan danste volgens de sterkste verhalen op de lijken van de Thakurs en smeerde het bloed van haar slachtoffers op haar voorhoofd. Onder het slaken van de kreet Phoolan Devi ki jai (hoera voor Phoolan Devi), zou ze pas tegen zonsondergang haar paard de sporen hebben gegeven in de richting van de ontoegankelijke kloven waar ze kwartier hield.

De Thakurs schreeuwden moord en brand na het bloedbad en de politie begon een grote campagne tegen de bende. Veel mensen van de lagere kasten lachten echter in hun vuistje. Eindelijk kregen de arrogante Thakurs ook eens een harde les.

Nog jarenlang slaagde Phoolan, die intussen een verhouding met een andere dacoit was aangegaan, erin zich de politie van het lijf te houden, onderwijl her en der moordend en plunderend. Maar in februari 1983 besloot zij zich over te geven, nadat ze enkele voorwaarden had bedongen bij de toenmalige regering van de deelstaat Madhya Pradesh. Ze zou niet de doodstraf krijgen, ze zou alleen in de staat Madhya Pradesh worden berecht en niet in Uttar Pradesh, waar de Thakurs haar bloed wel konden drinken. Op foto's van toen staat ze fier met een brede rode band om haar wilde haren bijeen te houden.

Ruim tien jaar later zit Phoolan nog steeds in de gevangenis, hoewel ze haar straf in Madhya Pradesh al heeft uitgezeten. De rechters bepaalden echter dat het niet aan de politici was om over het lot van de bandieten te beslissen. Nog steeds ligt de kwestie bij de rechter en riskeert Phoolan alsnog naar Uttar Pradesh te worden overgebracht, waar haar wellicht de doodstraf wacht. Veel van haar mannelijke metgezellen zijn intussen wel weer op vrije voeten.

Vorige week is Phoolan voor een medisch onderzoek overgebracht naar een gevangenis in de hoofdstad New Delhi. Zelf beweert ze maagkanker te hebben. Artsen in Madhya Pradesh hebben daarvoor echter geen aanwijzing kunnen vinden. Ze klaagde verder dat ze daar in de gevangenis werd behandeld als “een museumstuk”. Nieuwsgierige bezoekers die de bandietenkoningin wel eens in levende lijve wilden zien, werden bij tientallen binnengeleid.

Ondanks eerdere rechterlijke uitspraken geeft Phoolan aan wie het maar horen wil een heel andere versie van de dramatische gebeurtenissen van tien jaar geleden. Ze zou slechts een ondergeschikte rol hebben gespeeld in haar bende. Ook ontkent ze in Behmai te zijn geweest op die bewuste dag in 1981. “Ik heb niemand gedood”, houdt ze vol. “Ik kan niet eens een pistool vasthouden.” En, keurig volgens de Indiase normen, voegt ze er aan toe: “Ik ben een vrouw, niet in staat tot vergelding.”

De enige reden waarom ze nog in de gevangenis zit is dat ze tot een lagere kaste behoort en niet over goede contacten beschikt, beweert Phoolan mokkend in de talrijke vraaggesprekken die ze ook de afgelopen maanden heeft gegeven. Politieke partijen, tuk op de tientallen miljoenen stemmen die de lagere kasten volgende maand te vergeven hebben, zouden haar maar al te graag op hun kandidatenlijst plaatsen als symbool van de verdrukte lagere kasten. Maar Phoolan zelf heeft haar bekomst van de politici: “Het zijn allemaal honden, die mijn naam voor zichzelf gebruiken. De vorige keer hebben ze me bedrogen, deze keer niet weer.”