Het isolement van Nederland tijdens het olie-embargo van oktober 1973; Doelwit Rotterdam

Deze maand is het twintig jaar geleden dat Nederland werd getroffen door een Arabisch olie-embargo als straf voor zijn pro-Israelische houding tijdens de Oktoberoorlog. De net geïnstalleerde regering-Den Uyl nam tal van maatregelen om het olieverbruik te verminderen. Er kwam een autoloze zondag, de gordijnen moesten dicht en lichtreclame werd verboden. Twee maanden na afkondiging van het embargo deden geruchten de ronde over overvolle olietanks in het Botlekgebied. Was er eigenlijk wel een oliecrisis? Een reconstructie op basis van onder meer de archieven van Buitenlandse en Economische Zaken.

Op 6 oktober vielen Egyptische en Syrische troepen Israel aan in een poging de door Israel bezette gebieden te heroveren. Het Israelische leger bleek door de aanval verrast en verkeerde enkele dagen in een benarde positie. Er was zelfs korte tijd sprake van de inzet van Israelische nucleaire wapens. In Nederland ontstond grote bezorgdheid naar aanleiding van de eerste berichten over de oorlog in het Midden-Oosten, zoals dat ook tijdens de oorlog van 1967 het geval was geweest: Israel moest geholpen worden.

De Nederlandse regering had in de voorafgaande jaren enige afstand van Israel genomen, met name als het ging om de kwestie van de bezette gebieden. Maar na het uitbreken van de Oktoberoorlog schaarde ons land zich weer volledig achter de staat. Verschillende voorraanstaande politici namen op 7 oktober deel aan een solidariteitsbijeenkomst voor Israel in Amsterdam. Onder hen was minister van defensie Henk Vredeling, prominent zittend op de voorste rij, wat in vele Arabische landen als een duidelijk bewijs voor de pro-Israelische standpuntbepaling van de Nederlandse regering werd gezien.

Het kabinet-Den Uyl liet geen misverstand bestaan over zijn sympathieën. Drie dagen na het uitbreken van de oorlog werd in Den Haag een regeringsverklaring uitgegeven waarin werd gesteld dat Syrië en Egypte het initiatief hadden genomen tot vijandelijkheden en daarmee het sinds 1970 geldende bestand eenzijdig hadden verbroken. De twee aanvallers dienden zich terug te trekken achter de voor 6 oktober in acht genomen bestandslijnen. De regering maakte gezien haar woordkeus duidelijk nog steeds achter de door de Arabische landen als pro-Israelisch beschouwde interpretatie van resolutie 242 te staan: Israel had recht op veilige grenzen en grenscorrecties waren daarom niet bij voorbaat uit te sluiten.

Ook in de EG nam Nederland een meer pro-Israelisch standpunt dan de meeste andere EG-lidstaten. Het ging daarbij vooral om de positiebepaling van de EPS, de Europese Politieke Samenwerking van de negen ministers van buitenlandse zaken. Minister Van der Stoel weigerde op 13 oktober in de EPS akkoord te gaan met het voorstel Groot-Brittannië en Frankrijk een mandaat te geven om namens de Negen het woord te voeren in de Veiligheidsraad. Het Nederlandse veto vloeide voort uit gebruikelijke Nederlandse afkeer van directoraatsvorming in de EPS, maar centraal stond uiteraard de vrees voor een al te kritisch EPS-standpunt tegenover Israel.

Militaire steun

Nederland liet het niet bij woorden. Zoals de voormalige minister van defensie Henk Vredeling en zijn staatssecretaris Bram Stemerdink twintig jaar na dato erkenden, werden in het geheim aanzienlijke hoeveelheden Nederlandse munitie, reserve-onderdelen en wapens geleverd aan Israel. De wapens werden door onherkenbaar gemaakte Israelische Boeings 707 vanaf het militaire vliegveld Gilze-Rijen naar Israel getransporteerd. De ministerraad, minister-president Den Uyl en minister van buitenlandse zaken Van der Stoel, werden volgens Vredeling en Stemerdink niet van deze wapenleveranties op de hoogte gesteld. Als deze mededeling klopt, dan waren zij indertijd verantwoordelijk voor een constitutioneel uiterst aanvechtbare handeling.

Chaanan Bar On, eertijds Israelisch ambassadeur in Den Haag, lijkt het echter onwaarschijnlijk dat Den Uyl en Van der Stoel van niks hebben geweten. Bar On had van der Stoel en Vredeling op 7 oktober in een dramatisch gesprek om militair-materiële hulp gevraagd. Daarover was op 8 oktober lang gepraat tussen Den Uyl, Van der Stoel en Vredeling. Uiteindelijk zou het besluit op 8 oktober negatief zijn geweest. Lange tijd hebben de betrokkenen slechts toegegeven dat de Nederlandse regering alleen maar militaire steun zou hebben overwógen. Het zou uiteindelijk niet nodig zijn geweest, net als het aanbod om Amerikaanse vliegtuigen te laten bijtanken op Nederlandse vliegvelden. De Verenigde Staten leverden inmiddels genoeg steun, en de Amerikaanse transporttoestellen maakten hun tussenlandingen op de Azoren.

Maar er waren wel degelijk wapens geleverd en vanuit de Arabische hoofdsteden klonken al snel beschuldigingen over Nederlandse militaire steun aan Israel. Arabische kennis van wapenexporten (zoals Yamani beweert) blijkt ook uit het volgende: Op 17 oktober ontving Van der Stoel de ambassadeurs van Irak, Saoedi-Arabië, Tunesië en Egypte. De Nederlandse bewindsman trachtte zich tijdens dat gesprek teweer te stellen tegen Arabische beschuldigingen omtrent wapenleveranties en het werven van vrijwilligers voor Israel. Hij zei weinig ingenomen te zijn met de scherpe reacties van een aantal Arabische hoofdsteden daaromtrent en onderstreepte dat het Nederlandse beleid inzake Israel evenwichtig was.

Getuige de recente uitspraken van Vredeling en Stemerdink was Van der Stoels standpunt volledig onjuist. Van der Stoel stelt twintig jaar later niet bewust te hebben gelogen, omdat hij niet van de wapenleveranties aan Israel op de hoogte was. Naar aanleiding van schriftelijke vragen van het PSP-Kamerlid Van der Spek stelde Van der Stoel het in november 1973 wat voorzichtiger: er zouden geen vergunningen zijn afgegeven voor wapenexporten. Dat was inderdaad niet het geval geweest, en gezien de grote tijdsdruk en de geheimzinnigheid ook volstrekt niet aan de orde. Bovendien kan betwijfeld worden of een vergunning noodzakelijk was, want het betrof materieel uit legervoorraden en niet van particuliere bedrijven. De beschuldigingen uit Arabische landen over Nederlandse steun aan Israel bleven aanhouden. Nederland zou bovendien het énige Westeuropese land zijn geweest dat militaire steun aan Israel had geleverd.

Machtsstrijd

De Nederlandse steun aan Israel tijdens de Oktoberoorlog werd door de betrokken Arabische staten opgevoerd als reden voor het olie-embargo tegen Nederland. De Saoedi-Arabische minister voor oliezaken sjeik Yamani stelde zelfs twintig jaar later dat dit het hoofdmotief voor een embargo is geweest. Toch ging het tijdens de oliecrisis zeker niet alleen om Israel. De maatregelen die de Arabische OPEC-landen na de Oktoberoorlog namen, waren niet louter een politieke sanctie tegen landen, die zich tijdens de oorlog achter Israel hadden geschaard. De oliecrisis was ook onderdeel van een strijd in de internationale oliesector.

De Arabische OPEC-landen richtten zich tevens, zij het vanuit uiteenlopende posities en belangen, op een doorbreking van de traditionele verhoudingen in de internationale oliesector. In die sector nam Nederland een belangrijke positie in. Het was de thuishaven van een van de 'Seven Sisters' (de grote oliemaatschappijen): de Shell. Bovendien was Rotterdam een cruciale schakel in de verwerking en distributie van olie in West-Europa.

Er werd in Den Haag al langer rekening gehouden met de mogelijkheid van een olie-embargo tegen Nederland. Zo was op het ministerie van Buitenlandse Zaken in het voorjaar van 1973 uitgebreid van gedachten gewisseld over de politieke risico's van de groeiende Westeuropese afhankelijkheid van Arabische olie. Het was niet onwaarschijnlijk dat de Arabische OPEC-landen zouden trachten deze afhankelijkheid politiek en economisch te gebruiken. De tijd van de ongestoorde aanvoer en van de lage prijzen leek ten einde: het 'fool's paradise' was afgelopen.

Nederland liep volgens een in juni door Buitenlandse Zaken opgesteld rapport geen uitgesproken risico's, al zou het aan algemene maatregelen tegen alle Westeuropese landen uiteraard niet kunnen ontkomen. Dit zou een misrekening blijken te zijn. Nederland was een aantrekkelijk doelwit voor Arabische OPEC-initiatieven. Nederland was het land van Shell. Door Rotterdam te treffen, zou bovendien West-Europa als geheel worden geraakt. Bovendien had Nederland een pro-Israelische reputatie. Achteraf raakte Van der Stoel er dan ook van overtuigd dat het embargo tegen Nederland al maanden voor het uitbreken van de Oktoberoorlog was voorbereid.

In de aanval

In Koeweit werd tijdens een Arabische OPEC-conferentie tussen 16 en 21 oktober een drietal belangrijke besluiten genomen. In de eerste plaats werd besloten de prijs van ruwe olie, voorbijgaand aan de slepende onderhandelingen daaromtrent met de internationale oliemaatschappijen, eenzijdig met 70 procent te verhogen. In de daarop volgende maanden zouden nog verschillende prijsverhogingen volgen.

In de tweede plaats werd overeengekomen de produktie van ruwe olie in de Arabische OPEC-staten maandelijks met vijf procent te verlagen, als straf voor het in het algemeen pro-Israelische houding van de meeste Westerse landen. Zoals de Saoedische olie-minister Yamani verklaarde, toonden de Arabische landen met deze maatregelen eindelijk dat zij de baas over hun eigen olie waren.

Ten derde werd op 19 oktober bekend gemaakt dat Libië een embargo afkondigde op olie-export naar de Verenigde Staten in verband met de pro-Israelische houding van de VS, met name gezien de wapenleveranties aan Israel. De volgende dag volgde Saoedi-Arabië. Een dag later riep het bureau van de Arabische Liga op tot een embargo tegen Nederland.

Een vierde ontwikkeling werd niet in Koeweit overeengekomen, maar hing wel nauw met de conferentie samen. Irak, dat een veel krachtiger standpunt van de Arabische OPEC-staten had bepleit als het ging over het 'de baas zijn over eigen olie', kondigde op 22 oktober aan dat het Nederlandse, dat wil zeggen Shell-aandeel in de Iraakse Basrah Petroleum Company werd onteigend en genationaliseerd. Twee weken eerder had Irak ook Amerikaanse oliebelangen genationaliseerd. Op 22 oktober feliciteerde de Algerijnse minister van industrie en energie Abdessalam de Iraakse Revolutionaire Raad. Kort tevoren had ook Algerije nationalisatie-maatregelen genomen.

Vrijwilligers

Het radicale Algerije was ook het eerste land dat de oproep van de Arabische Liga om Nederland te straffen ten uitvoer bracht. Persberichten uit Algiers meldden op 21 oktober dat Algerije tot een embargo was overgegaan vanwege het pro-Israelische karakter van de regeringsverklaring van de negende, en vanwege de halsstarrige verdediging van Israel door minister Van der Stoel tijdens het gesprek met de Arabische ambassadeurs. Ook de pro-Israelische houding van Nederland in de VN en in de EPS werd aangevoerd. Bovendien werd de Nederlandse regering verweten recrutering van vrijwilligers voor Israel toe te staan, alsmede het aanbieden van vervoersfaciliteiten door de KLM ter ondersteuning van Israel. Opvallend genoeg ontbraken in dit rijtje de eerdere beschuldigingen van wapenleveranties. Twee dagen na het Algerijnse besluit volgde Koeweit, daarna Aboe Dhabi, Quatar, Oman, Libië.

Saoedi-Arabië was een van de laatste landen die zich bij het embargo tegen Nederland aansloot. Het ging niet direct tot actie over, maar stelde Nederland op 26 oktober eerst een ultimatum. De Nederlandse regering diende de Israelische agressie te veroordelen, ze diende van Israel te eisen de bezette gebieden te ontruimen en bovendien het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen te erkennen.

Van der Stoel weigerde op dit ultimatum in te gaan. Op 27 oktober werd de Saoedi-Arabische ambassadeur in Den Haag een korte verklaring overhandigd. Daarin werd het Nederlandse standpunt nog eens herhaald en werd gewezen op de vele in het geding zijnde misverstanden. Het was niet voldoende en op 28 oktober sloot Saoedi-Arabië zich bij het embargo tegen Nederland aan.

De situatie zag er voor Nederland slecht uit. Ons land werd niet alleen gestraft met een olie-embargo. Zo bleek dat verschillende Arabische landen ook overgingen tot het boycotten van de KLM. Op 4 november scherpten de Arabische landen hun beleid nog verder aan. Er werd besloten over te gaan tot een directe produktiebeperking van 25 procent ten opzichte van het peil van september. Bovendien werd een reductie van nog eens vijf procent in het vooruitzicht gesteld voor de maand december.

Er kwam nu een snelle reactie van Europese zijde. Twee dagen na het Arabische besluit gaven de negen ministers van buitenlandse zaken op Frans initiatief een gemeenschappelijke verklaring uit, waarin aan de Arabische landen tegemoet werd gekomen. In deze reactie werden de Palestijnse rechten door de negen ministers voor het eerst expliciet erkend.

Het leek erop alsof Nederland door de verklaring van 6 november te ondertekenen eieren voor zijn geld had gekozen. In een nota aan de Tweede Kamer hield Van der Stoel evenwel enkele dagen later staande dat in het Nederlandse standpunt geen verandering was gekomen. Van der Stoels toelichting droeg er waarschijnlijk toe bij dat, toen de Arabische OPEC-landen besloten de voor december voorziene reductie van vijf procent niet door te laten gaan, Nederland van deze verzachtende maatregel werd uitgesloten.

Europese solidariteit

In deze fase was van een gemeenschappelijke EG-politiek tegenover de oliecrisis geen sprake. Integendeel, de EG werd het toneel van conflicten en belangenstrijd. De belangrijkste EG-landen, Groot-Brittannië en Frankrijk, staken het door een embargo getroffen Nederland geen hand toe. Het leek er zelfs op dat deze landen juist gebruik wilden maken van de strafmaatregelen tegen Nederland.

Zo meldde de Nederlandse ambassade uit Londen op 1 november dat de oliemaatschappijen door de Britse regering 'op zeer hoog niveau' onder druk werden gezet. Dat gebeurde 'teneinde hen ertoe te bewegen bij de vaststelling van alloccatieschema's van Midden-Oosten-olie een uitzondering te maken voor het Verenigd Koninkrijk en leveringen aan het Verenigde Koninkrijk onverkort te handhaven, met andere woorden de door producenten toegepaste kortingen op andere landen te verhalen'. De Franse regering oefende soortgelijke druk uit.

Pogingen van Nederlandse zijde om de EG, en met name de Commissie, het initiatief te doen nemen tot een discrete herverdeling van de in de EG geïmporteerde olie liepen op een mislukking uit. Met name van Franse zijde werd Nederland verweten binnen de EPS ook geen solidariteit te hebben betoond, toen werd voorgesteld een gemeenschappelijk EG-standpunt in de Veiligheidsraad in te nemen. Ook van Britse kant werd Nederland in de EG niet ondersteund: herverdeling zou de Arabische landen slechts stimuleren tot scherpere maatregelen. Tevergeefs voerde Van der Stoel aan dat de EG dreigde te desintegreren.

Het was gedurende de eerste maanden van de oliecrisis bij de EG zonder twijfel 'ieder voor zich'. Frankrijk en Groot-Brittannië trachtten de aanvoer van olie uit het Midden-Oosten op langere termijn veilig te stellen door het afsluiten van bilaterale overeenkomsten met Arabische OPEC-landen, waarbij onder meer olie tegen wapens werd geruild. Er ontstond aldus een 'scramble for oil' die de prijs verder op dreigde te drijven.

Nederland stond in de EG dus alleen. Het had, zo werd vooral van Franse zijde verweten, het embargo ook aan zichzelf te wijten. Desondanks bleek het embargo al snel niet te werken. Maar dat kwam niet door EG-solidariteit.

Shell

Zoals vertegenwoordigers van Shell de Nederlandse regering al snel na het afkondigen van het embargo verzekerden, zouden de oliemaatschappijen de door de Arabische landen doorgevoerde kortingen zoveel mogelijk gelijkelijk verdelen, met inbegrip van het embargo tegen Nederland. Dat moest in het geheim gebeuren om de Arabische landen niet te irriteren. Daarom diende over de uitsplitsing van de Nederlandse invoer uit de Arabische landen voorlopig met de grootst mogelijke discretie te worden gesproken, opdat er kon worden 'geswitched'.

Het 'switchen' was mogelijk doordat niet alle olieproducerende landen aan het embargo tegen Nederland deelnamen. Zoals Yamani stelde: 'Nederland had plenty of oil.'' Aldus werd er in de maanden van het embargo extra olie geïmporteerd uit Nigeria en Iran. Bovendien wijst niets erop dat olietankers in Arabische havens lading geweigerd is vanwege het embargo tegen Nederland.

Het optreden van de grote oliemaatschappijen, vooral van Shell en BP, betekende in feite dat het Arabische embargo vanaf het begin volstrekt ineffectief was, hetgeen Yamani anno 1993 beaamt. Hoewel achteraf betwijfeld kan worden of de Amerikaanse maatschappijen zich aan de toezegging van gelijke verdeling hebben gehouden, is de aanvoer van ruwe olie naar Nederland gedurende de oliecrisis zeker niet achtergebleven bij de meeste overige EG-landen. Noch Shell, noch BP kwamen derhalve tegemoet aan de druk van de Britse regering om Nederland bij de toewijzing van olie te benadelen.

Het lijkt er zelfs op dat de situatie in Nederland nog aanzienlijk gunstiger was dan in verschillende andere Westeuropese landen. Lloyd's, verzekeraar van vele schepen, meldde al eind december uit Londen dat de olietankers in Rotterdam af- en aanvoeren. Die omstandigheid leidde in Frankrijk tot grote wrevel. De Franse president Pompidou beschuldigde de Nederlandse autoriteiten in januari dan ook min of meer van misleiding en bedrog.

De Nederlandse positie was bovendien sterk vanwege de Nederlandse export van aardgas naar West-Duitsland en Frankrijk. Indien de energieschaarste in Nederland ernstige vormen aan zou nemen als gevolg van het embargo, zo verzekerden zowel Den Uyl als minister van economische zaken Ruud Lubbers, zou de regering overwegen de export van aardgas te beperken. Rotterdam was bovendien een belangrijke doorvoerhaven, en ook de doorvoer van olie zou kunnen worden beperkt. In november werd de positie van Nederland verder versterkt door Amerikaanse toezeggingen om Nederland in geval van nood van extra olie te voorzien.

Toen in januari 1974 op het ministerie van economische zaken werd gediscussieerd over mogelijkheden het Nederlandse imago in de Arabische wereld te verbeteren, werd dan ook geconcludeerd dat een dergelijk streven als het ging om de olie niet nodig was. Het gerucht ging zelfs, zo stelde een van de betrokken ambtenaren, dat 'oude tankers voor de kust werden volgepompt'' omdat de opslagtanks in het Botlekgebied boordevol waren.

Konden de regeringsmaatregelen van begin november, zoals de autoloze zondag, nog als verstandige voorzorg worden beoordeeld, dan gold dat zeker niet meer voor de distributie die begin januari werd ingevoerd. Als gevolg van berichten over de olievoorraden in het Botlekgebied werd de distributie door velen als overbodig beoordeeld. In februari 1974 werd meer olie in Rotterdam aangevoerd dan in enige maand daarvoor sinds de Tweede Wereldoorlog. Of zoals de toenmalige minister van verkeer en waterstaat Tjerk Westerterp het klip en klaar stelde: 'De voorraadtanks in Rotterdam en het Waterweggebied liepen over in plaats dat de deksel gezakt was.'' Ook het Rijks Aardolie Bureau, dat leiding gaf aan de uitvoering van de distributie, concludeerde achteraf dat het nut van alle inspanningen ten zeerste betwijfeld kon worden. Er was immers olie genoeg.

Energiepolitiek

De oliecrisis bracht ernstige conflicten in de EG met zich mee. Afgezien van de 'scramble for oil' traden meningsverschillen aan het licht over de te voeren Europese energiepolitiek. Frankrijk gebruikte de oliecrisis om opnieuw te pleiten voor een meer dirigistisch energiebeleid, uitgaande van een steviger zeggenschap van de overheid over de oliesector, zoals dat in Frankrijk zelf middels nationale oliemaatschappijen het geval was.

Nederland had in deze kwestie altijd, net als Groot-Brittannië, een veel liberaler standpunt bepleit. Ook tijdens de oliecrisis stelde de regering-Den Uyl zich ondanks haar deels sociaal-democratische oorsprong op een liberaal standpunt. De beginselen van de vrije markt dienden in de EG te worden gerespecteerd. De Europese Commissie diende erop toe te zien dat het vrije verkeer in de EG zou worden gehandhaafd. De Commissie moest naar Nederlandse mening wel ingrijpen, maar om eerlijke verdeling te garanderen op een vrije markt.

De Nederlandse regering stond ook zeer wantrouwig tegenover de Franse pogingen om de oliecrisis aan te wenden om een Euro-Arabische dialoog tot stand te brengen: eerst diende het embargo tegen Nederland te worden opgeheven. Het Nederlandse verzet had succes. Het Franse streven een van de Verenigde Staten - en van de zeven multinationale oliemaatschappijen - meer onafhankelijke Europese energiepolitiek tot stand te brengen, werd medio december tijdens een Europese Top in Kopenhagen door de meerderheid afgewezen.

Nederland steunde de Amerikaanse voorstellen de crisis te bespreken tijdens een Energie-conferentie in Washington, die in februari 1974 werd gehouden. Inmiddels was de aanvoer van ruwe olie naar Nederland vanaf februari nagenoeg normaal vergeleken met het voorafgaande jaar.

Op 18 maart werd het embargo tegen de Verenigde Staten opgeheven. Merkwaardig genoeg werd het tegen Nederland voortgezet. Bovendien leek in het voorjaar een opvallende verschuiving op te treden in het Arabische kamp. In deze fase bleek vooral het traditioneel zeer op de Verenigde Staten georiënteerde Saoedi-Arabië de krachtigste voorstander van voortzetting van het embargo. Algerije, aanvankelijk de meest uitgesproken pleitbezorger, stelde zich nu op het standpunt dat de strafmaatregel kon worden ingetrokken.

Zo ontstond de situatie dat Saoedi-Arabië en Nederland, beide nauw verbonden met de Verenigde Staten, ieder op hun wijze bijdroegen aan het belemmeren van een Euro-Arabische dialoog. Nederland weigerde immers akkoord te gaan met zo'n dialoog zolang het embargo niet was ingetrokken. In Parijs werd zelfs gesuggereerd dat de Saoedi's op Amerikaanse instigatie aan het embargo tegen Nederland vasthielden. Yamani bevestigt dat naar zijn inzicht zowel de VS als Israel fel gekant waren tegen enige Europese bemoeienis in het Midden-Oosten. Uiteindelijk werd het op 11 juli 1974 opgeheven. De door Frankrijk zo gewenste aanzet tot een Euro-Arabische dialoog was inmiddels in de kiem gesmoord.

Ernstig conflict

Er was geen echte crisis als het gaat om de aanvoer van olie naar Nederland. Dat nam niet weg dat er wel een ernstig conflict met de Arabische landen aan het licht was getreden, en het embargo maakte zonder twijfel een dreigende indruk. Voorzichtig paste de Nederlandse regering haar Midden-Oostenbeleid tijdens en na de oliecrisis aan deze omstandigheden aan.

Ook de Nederlandse ervaringen in de EG waren bepaald niet positief. Van de EG-partners was zeker in de beginfase nauwelijks steun ontvangen. Integendeel, de Franse en Britse regeringen hadden de oliemaatschappijen zelfs onder druk gezet om niet tot herverdeling over te gaan.

Het Nederlandse beleid steunde meer op de Verenigde Staten dan op de EG. Zoals Van der Stoel achteraf zei: 'De Amerikanen zouden solidair gebleven zijn. Meer dan de Europeanen. Dat is meer dan een geloof, dat is een zekerheid.'' Het is een aanvechtbaar oordeel, omdat ook de Verenigde Staten in de eerste plaats eigenbelang nastreefden. Aan het einde van de oliecrisis werd het embargo tegen Nederland door Saoedi-Arabië, mogelijkerwijs met Amerikaanse steun, ingezet om de Euro-Arabische dialoog te blokkeren.

Wat waren de oorzaken van de aparte Nederlandse rol tijdens de oliecrisis? Door sommige auteurs wordt het Nederlandse beleid ten aanzien van de oliecrisis als eigenzinnig beschouwd. Zonder twijfel nam Van der Stoel in de eerste weken na het uitbreken van de Oktoberoorlog standpunten in, die vergeleken met de andere EG-staten onbuigzamer konden worden genoemd. Later werd het Nederlandse beleid in belangrijke mate bepaald door materiële omstandigheden en overwegingen, niet door pro-Israelische eigenzinnigheid. De regering verdedigde de belangen van Rotterdam en van de grote olieconcerns, zowel tegen de Arabische maatregelen als tegen Franse pogingen een Europese, op de Europese nationale maatschappijen steunende energie-politiek te realiseren.

Nederland werd door de oliemaatschappijen, althans door Shell en BP, ontzien. Shell-directeur Wagner stelde in december voor de KRO-radio niet zonder bravoure, dat het niet de Arabieren waren die bepaalden hoe de olie werd verdeeld, maar de oliemaatschappijen. En Nederland kwam er niet slecht af. De olieaanvoer en -voorraden waren waarschijnlijk zelfs groter dan in andere Westeuropese landen die niet door een embargo waren getroffen.

Alle energiebesparende maatregelen die het kabinet-Den Uyl uitvaardigde, waren daarom achteraf bezien aan de overdreven kant. De afzet daalde daardoor aanzienlijk sterker dan de aanvoer en de voorraden namen toe. Door de snel stijgende prijzen hebben de oliemaatschappijen extra kunnen profiteren.

De regering hielp Shell en Shell hielp Nederland. De regering-Den Uyl was tijdens de oliecrisis volstrekt afhankelijk van de grote oliemaatschappijen, met name van Shell. Het kabinet voerde een beleid dat de belangen van de 'Seven Sisters', met name van 'onze eigen' Shell, verdedigde. In Keerpunt '72, het verkiezingsprogramma van de drie progressieve partijen voor de verkiezingen van december 1972, was nog bepleit dat de macht van de multinationale ondernemingen moest worden teruggedrongen. De oliecrisis was zonder twijfel een ontnuchterende ervaring voor diegenen die nog geloof hechtten aan de beloftes van Keerpunt.

De auteurs maken deel uit van een onderzoeksgroep van de Universiteit van Amsterdam die zich bezig houdt met archiefonderzoek op het terrein van de Nederlandse buitenlandse politiek.