Het duel

Ik kan me indenken dat de mensen in de provincie, na een week van berichten over criminele infiltraties in bonafide Amsterdamse deelraden, zich ongerust voelen over de situatie in de hoofdstad. Dinsdagavond moest ik in Zwolle zijn. Rustig lag hotel Wientjes onder de najaarsbomen. Een notaris-achtige heer klopte zijn pijp uit voor hij het bordes beklom. Binnen een paar seconden zag ik tientallen dingen die ik zou opsommen als ik een beschrijving wilde geven van de weldadige vrede; maar als het goed gaat neemt dit stukje een andere wending.

Misschien wel tien jaar was ik niet in Wientjes geweest. Toen had het een serre met zachte, moederlijke crapauds. Het is verbouwd, de serre is vervangen door een soort Brits koffiehuis met een houten vloer en donkerbruine betimmering, of misschien heeft de directie er een ruimte met een grand-café-allure van willen maken. Ik wil het niet met zo'n vertoon van cosmopolitisch dédain afkeuren; het is lang niet lelijk, maar ten eerste moet je ervan houden en ten tweede heb je andere verlangens als je rustig bij een kop koffie je krant wilt lezen omdat je meer dan een uur te vroeg voor je afspraak bent. De koffie was heel goed.

In het gezelschap dat me verwachtte, werd ik bestormd met vragen over de toestand in Amsterdam. Of het waar was dat... enzovoort. Toen dacht ik dat de mensen vaak zien wat ze verwachten terwijl ze eigenlijk iets heel anders zien. Gesteld dat ik de volgende dag iemand uit Zwolle had meegenomen naar Amsterdam en die was daar even lang niet geweest als ik in Wientjes? Hoe zou die de toestand waarnemen?

De Zwollenaar en ik liepen van het Centraal Station richting centrum en we hielden rechts. Toen we halverwege het Damrak waren, op een punt waar we de Dam nog niet konden zien, hield hij me staande. 'Hoor je dat?'' In de verte klonken roffels machinegeweervuur en verward geschreeuw. Ik haalde m'n schouders op en trok hem mee. Na een meter of vijftig bleef hij opnieuw staan. Het machinegeweervuur voor ons was luider, gedempt klonk het nu ook van rechts. In het plaveisel voor de Bijenkorf waren grote gaten geslagen en van de Dam kwamen wilde kreten. Hij wees op de mensen die het warenhuis in en uit gingen. 'Begrijp je dat?'' Ik keek hem vragend aan. 'In Sarajevo doen de mensen ook gewoon hun boodschappen'', zei ik en wilde verder lopen, maar we werden staande gehouden door een hongerige, in lappen gehulde vluchteling. Tegen de muur zaten nog een paar schrijnende gevallen.

De lezer zal begrijpen hoe het verder gaat. Deze man keert met de wildste verhalen terug naar Zwolle. Zo komen de misverstanden in de wereld, want vergelijkenderwijs is de toestand in Amsterdam goed. Op de Dam staat de kermis die iedere dag om een uur of één zijn onontkoombaar lawaai begint te braken, en daaromheen, op alle hoeken en ook achter het Paleis zijn de mannen van Publieke Werken met pneumatische hamers bezig het plaveisel open te breken. Daardoor ontstaan weer opstoppingen op de Voorburgwal, in de Raadhuisstaat en de Paleisstraat en op het Rokin. Bedelaars zijn er altijd. Intussen zijn op het Rokin de opbrekerijen bijna ten einde. De 'rode loper' van het Damrak is met bewonderenswaardige voortvarendheid tot het Spui verlengd en over het nieuwe straatmeubilair kun je denken wat je wilt, maar het geheel biedt een ruime, frisse aanblik. Op de hoek van de Dam staande kan je nu ook beter zien hoe het Rokin afglooit. De Dam is eigenlijk een heuvel.

Afgezien van het krankzinnige lawaai heb ik op mijn werkplek goedbeschouwd niets te klagen. En toch was ik blij dat ik even in Zwolle was. Terug in Amsterdam liep ik een bevriende advocaat tegen het lijf. 'Hoe komt het'', vroeg ik, 'dat ik blij was, even in Zwolle te zijn terwijl het in Amsterdam afgezien van een enkele infiltratie zo goed gaat?''

'Het zijn de mensen'', zei de advocaat die zelf Amsterdammer is. 'Soms krijg ik het gevoel dat ik een roedel pitbulls in mijn spreekkamer heb. Iedereen wil een kort geding.''

Een enkele keer hoor je uitspraken die een heel complex van vraagstukken voor je verhelderen. 'Iedereen wil een kort geding.'' De omgangsvormen in de hoofdstad, dacht ik, gaan steeds meer lijken op een aaneenschakeling van kort gedingen. Vooral is dat het geval 'binnen de grachtengordel': de oogopslag van het kort geding, de woordkeus, de intonatie en de dwangsom. Het kort geding is de juridische versie van het vuren uit de heup in het Wilde Westen. Binnen de grachtengordel heerst maar één tijd: het is er altijd High Noon.

Als je je eenmaal zo'n inzicht hebt verworven wil je daarover van gedachten wisselen. Gelukkig kwam ik nu iemand tegen die middenin de modernste literatuur zit. 'Heb je ook gemerkt dat het sociale leven binnen de grachtengordel steeds meer gaat lijken op één onafzienbare reeks van kort gedingen?'' vroeg ik.

'Zeker heb ik dat gemerkt'', zei ze. 'Ik speel al een poosje met de gedachte om eens voor te stellen dat het ouderwetse duel weer zal worden ingevoerd.'' Ze sprak er met geestdrift over: geen stiekemigheidjes meer, geen steken onder water, geen schelden op afstand, het einde van het gluipen.

Het leek me een revolutie. Ook dit denkbeeld heb ik weer bij anderen getoetst. Unaniem was men voorstander. De handschoen in het gezicht gegooid, het kiezen van het wapen en de secondanten, per koets naar het Vondelpark, naar de grote speelweide, de dokter met zijn kistje, maatschappij De Voorzorg met een grote kist tussen de struiken, de sfeer zou ervan opklaren.

In Nederland wordt een duel dat geen lichamelijk letsel ten gevolge heeft bestraft met maximaal zes maanden cel, maar is het aangegaan op leven en dood en heeft het voor één der tweevechters het bedoelde gevolg, dan is voor de andere de straf maximaal twaalf jaar. Mijn neiging is groot, nu nog iets over het cellentekort te zeggen maar dat doe ik niet.

    • S. Montag