Herinnering aan de meest duistere jaren van Stalins regime

De wals op de Petsjora, zondag, Ned. 3, 22.27-0.10u.

“Ik heb altijd deze film willen maken om te laten voelen wat wij hebben moeten ondergaan”, verklaarde de Georgische Lana Gogoberidze toen ze haar film Valsi Pecoraze (De wals op de Petsjora) vorig jaar presenteerde op het filmfestival van Venetië. Haar ouders werden in 1937 gearresteerd door Stalins geheime politie, zij zelf werd, 9 jaar oud, aan zichzelf overgelaten in een kindertehuis. Alleen haar moeder keerde vele jaren later terug.

De film die Gogoberidze, een internationaal gerenommeerd cineaste, maakte over de meest duistere hoeken van het stalinisme, is gebaseerd op haar eigen herinneringen en op die van haar moeder. Dat maakt de film niet autobiografisch: de herinneringen zijn uitgangspunt, ze betreffen meer emoties en sfeer dan concrete gebeurtenissen en het verhaalverloop, want die werden door Gogoberidze gecreëerd.

De wals op de Petsjora steunt op twee verhalen. Het ene, in grijswit gefilmd, krijgt vorm door de brieven die een moeder in gedachten schrijft aan haar kind, terwijl ze in een groep 'familie van landverraders' over de bevroren rivier de Petsjora in Noord-Rusland van strafkamp naar strafkamp wordt gejaagd - de kampen zijn overvol en voor improduktieve niet meer piepjonge vrouwen is er al helemaal geen plaats.

Via de gezamenlijke herinnering aan de wilde dans die ze, chic uitgedost, samen maakten op smachtende tangomuziek en die moeder en dochter over steden en ijsvlakten verbindt, wordt het andere verhaal geïntroduceerd, dat van de 13-jarige Anna.

Anna stapt uit een raam van het weeshuis, en gaat naar huis. Ze treft het appartement van haar ouders rommelig, min of meer intact aan, alleen woont er nu een KGB-officier. Ze zijn bang voor elkaar, maar de man stuurt Anna niet weg. Hij werkt vaak 's nachts, waar Gogoberdize slechts zijn door zijn uniformpet overschaduwde, in afweer versteende gezicht toont. Buiten beeld klinken de bevelen, het geweervuur, de kreten en de vallende lichamen die horen bij de excecuties die hij elke nacht weer moet leiden.

Vooral via het meisje schetst Gogoberidze met onverwachte zwier het leven onder een absolute dictatuur. Iedereen, ook haar naaste familie, heeft geen andere keuze dan haar te mijden als de pest, wat men dan weer tracht te verhullen in iets wat lijkt op goede manieren. Doordat Gogoberidze geen armzalig schepsel van het kind maakte maar een zelfbewust type, krijgt elke ontmoeting die ze met wie dan ook heeft een krankzinnige surrealistische ondertoon.

Met de driehoek die Gogoberidze weefde tussen Anna, haar moeder en de KGB-officier, ontstond een roerende, woedend makende film, die, ondanks een aantal al te pathetische uithalen, inderdaad laat voelen wat het is om te wonen in een land waar iedereen, vervolgde, toekomstig vervolgde, en vervolger, slechts kan rekenen op een recht: het recht op doodsangst.

    • Joyce Roodnat