HARD ONTWAKEN UIT DE JOEGOSLAVISCHE DROOM

The Destruction of Yugoslavia - Tracking the Break-up 1980-92 door Branka Magas 366 blz., Verso 1993, ƒ 46,35 ISBN 0 86091 376 7

Voorheen Joegoslavië door Nina Peternel 119 blz., Balans 1993, ƒ 25,-- ISBN 90 5018 215 1

'Joegoslavië was niet, zoals zovelen vandaag beweren, een kunstmatige staat. Maar zijn levensvatbaarheid hing altijd af van de politieke betrokkenheid bij en de institutionele regelingen voor de volledige gelijkheid van de constituerende nationaliteiten', schrijft Branka Magas ergens in haar boek The Destruction of Yugoslavia - Tracking the Break-up 1980-92.

Het is een haast terloopse zin in het boek. Maar het is ook het alpha en omega van het Joegoslavische drama, want vanaf het moment waarop die politieke betrokkenheid ging ontbreken en een begin werd gemaakt met de wijziging van de institutionele regelingen van de rechten van de verschillende nationaliteiten, was Joegoslavië ten dode opgeschreven.

Dat gebeurde volgens Magas - en ze heeft zonder enige twijfel gelijk - in het midden van de jaren tachtig, toen Slobodan Milosevic in Servië aan de macht kwam, de man die het Servische nationalisme legitimeerde, die een massale zuivering doorvoerde in de partij- en staatsstructuren van Servië en die een populistische campagne ontketende met het doel Servië binnen de federatie weer de dominerende positie te geven die het in het vooroorlogse Joegoslavië had gehad.

Maar ook Slobodan Milosevic kwam niet uit de lucht vallen: de schaduw van het onheil dat zich later over dit land zou gaan voltrekken viel al vanaf 1981 - een jaar na de dood van Tito -, toen het federale leger voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog op grote schaal in actie kwam tegen de democratische aspiraties van een van die nationaliteiten, de Albanezen in Kosovo.

Die schaduw viel nog nadrukkelijker in 1986, toen - alweer naar aanleiding van wat zich in Kosovo afspeelde - de Servische Academie van Wetenschappen haar roemruchte Memorandum publiceerde. Dat document was weinig anders dan een Servisch-nationalistisch pamflet waarin de teloorgang van de ooit dominerende rol van Servië werd beklaagd. Het naoorlogse federale model werd voorgesteld als een model dat de Servische natie tegen haar zin was opgedrongen door de Kroaat Tito en zijn belangrijkste handlanger, de Sloveen Kardelj, door de Kroaten en de Slovenen in het algemeen, en door Servische 'quislings' en dat uitsluitend en alleen was ontworpen om de Serviërs klein te houden en hun nationale en historische aspiraties te frustreren. Het dieptepunt van dit verraad aan de Servische natie was de grondwet van 1974, die de Servische provincies Kosovo en Vojvodina autonomie had gegeven en hen aan het gezag van Belgrado had onttrokken. Voor de opstellers van het Memorandum van de Academie van Wetenschappen was de 'genocide'' die de Albanezen vanaf 1974 op de Serviërs in Kosovo hadden gepleegd, 'de grootste nederlaag van de Servische natie sinds [de nederlaag tegen de Turken in] 1804''.

ONBEHAGEN

Het Memorandum van 1986 was een eerste duidelijke uiting van het al zo lang gistende onbehagen in Servië over de eigen rol binnen de Joegoslavische federatie. Het was dat onbehagen dat een jaar na de publikatie van het Memorandum Milosevic aan de macht bracht: hij won de machtsstrijd binnen de Servische partij tussen zijn nationalistische vleugel en de gematigde, op consensus en veranderingen via overleg gerichte vleugel van zijn voorganger Stambolic.

Vanaf dat moment heeft Servië zich op een collision course met de andere republieken bevonden. Milosevic is, zo schrijft Magas, een vertegenwoordiger van die Serviërs die niet wensen deel uit te maken van enige structuur die ze niet kunnen domineren. Milosevic zette een samenzwering op touw tegen de in 1943 bij consensus overeengekomen en sindsdien door alle republieken en volkeren geëerbiedigde federale structuur van Joegoslavië. De regeringen van Vojvodina, Montenegro en Kosovo werden met buiten-parlementaire middelen omvergeworpen, als gevolg waarvan de machtsbalans binnen de organen van de federatie verstoord raakte en de federatie in wezen werd gereduceerd tot een lege huls. Het doel van Milosevic was de schepping van een Joegoslavische eenheidsstaat die slechts in naam een federatie zou blijven maar waarin in werkelijkheid de zo lang door Tito en zijn Kroatische en Sloveense handlangers vertrapte Groot-Servische aspiraties zouden worden verwezenlijkt.

Het plan zou zijn gelukt als de centralisten de oorlog, die ze in de zomer van 1991 ontketenden tegen Kroatië en Slovenië, de twee republieken die zich niet leenden voor Milosevic' scenario, hadden gewonnen. Maar het leger faalde, waarna het scenario moest worden bijgesteld: in plaats van naar een door Servië gedomineerde federatie werd vanaf 1991 tot op dit moment gestreefd naar de vorming van een Groot-Servië, door Magas gedefinieerd als 'een staat waarin alle Serviërs zouden samenleven ten koste van alle andere Joegoslavische naties''.

The Destruction of Yugoslavia - Tracking the Break-up 1980-92 is een bundeling van artikelen die Branka Magas de afgelopen dertien jaar in linkse Britse bladen als New Left Review heeft geschreven. Zo'n bundeling heeft nogal wat nadelen. De lezer krijgt geen terugblik en geen gestructureerd betoog gepresenteerd, maar een reeks momentopnamen, inclusief alle onduidelijkheden van toen, alle inmiddels verkeerd gebleken inschattingen, alle tekortkomingen in de analyse, en alle herhalingen die een bundeling van een stuk of veertig analyses nu eenmaal biedt.

Magas' boek hééft al die tekortkomingen, maar is toch een meer dan gemiddeld interessant boek: haar analyses maken duidelijk dat zij vanaf de vroege jaren tachtig een open oog heeft gehad voor wat er onder de oppervlakte van de actualiteit speelde. Haar visie van het midden van de jaren tachtig wordt volledig bevestigd door wat er nadien is gebeurd: zij doorzag de diepere achtergronden en vooral de politieke betekenis van het ingrijpen van het federale leger in Kosovo in 1981, van het Memorandum van 1986, van de opkomst van Milosevic en van zijn nationalistische campagne van de jaren 1987-89.

NIEUWE ACCENTEN

Tot op zekere hoogte is het deze week verschenen boek Voorheen Joegoslavië van Nina Peternel met Magas' boek vergelijkbaar. Nina Peternel en Branka Magas hebben als persoon al veel gemeen. Beiden zijn Kroaten zonder dat eigenlijk te willen zijn: beiden hebben zich altijd volmondig als 'Joegoslaven' beschouwd, tot dat ideaal verdween in de maalstroom van het door Milosevic ontketende en door leiders van andere republieken als Tudjman overgenomen nationalisme.

Beiden hebben geloofd in de levenskansen van Joegoslavië tot ze wel moesten erkennen dat het Joegoslavië dat ze kenden onherstelbaar beschadigd en zelfs vernietigd was. Beiden wonen in het buitenland (Magas in Engeland, Peternel in Nederland) en beiden rouwen om de teloorgang van wat Magas noemt 'de magische, verleidelijke variëteit van landschappen, nationaliteiten, talen, godsdiensten, geschiedenissen en nationale identiteiten'' en wat Peternel omschrijft als 'het land van mijn jeugd, het land van mijn leven dat in vlammen opgaat''.

Net als The Destruction of Yugoslavia is Voorheen Joegoslavië een sterke analyse van de ondergang van Joegoslavië, waarin bovendien zowel de rol van de Servische intellectuelen als die van het federale leger wordt belicht. In die zin plaatst Peternel met Magas geheel nieuwe accenten: in de talrijke boeken die inmiddels over het Joegoslavische drama zijn verschenen wordt de rol van de intellectuelen slechts matig en die van het federale leger in het geheel niet belicht. Peternel geeft Kosovo als 'aanleiding', als de 'bron' waaruit uiteindelijk de ondergang van Joegoslavië voortsproot, minder aandacht dan Magas. Aan de andere kant is Peternel veel actueler: zij loopt niet 'mee op', zoals Magas, maar kijkt terug - op de voorgeschiedenis van de oorlog, de oorlog zelf en de reacties op die oorlog.

Een ander belangrijk verschil met de koel-professionele schrijfster Magas is Peternels emotionaliteit. Ze is 'vooral woedend'', schrijft ze in haar voorwoord - woedend over de ondergang van het vroegere Joegoslavië, maar ook over de 'onverschilligheid'' en 'het totale onbegrip'' in Nederland, zowel in haar directe omgeving als in de politiek en in de media.

Uit die woede vloeit haar behoefte voort de achtergronden van de oorlog te belichten. Ze doet dat heel kundig en helder, vanaf de opkomst van Milosevic tot en met de overwinning van de nationalisten in de diverse vrije verkiezingen (de overgang 'van het één-partijstelsel naar het andere-partijstelsel'', zoals ze het treffend noemt) en het uitbreken en aflopen van de oorlogen in Slovenië, Kroatië en Bosnië.

SPREKENDE VOORBEELDEN

Uit haar woede vloeit nog iets voort: de behoefte om die niet begrijpende politici en media de les te lezen. En hier gaat Peternel in haar emotionaliteit soms heel ver. Ze hekelt de fouten en vergissingen die zoal in de Nederlandse media zijn gemaakt over het drama-Joegoslavië. Dat is zonder meer terecht, en ze geeft daar ook een paar sprekende voorbeelden van. Maar ze gaat verder en stelt, nogal ongenuanceerd, de gezamenlijke inspanningen van die Nederlandse media voor als 'een opeenstapeling van halve waarheden, speculaties, lobby's, folklore, verschillende causaal getinte historische beschouwingen en anekdoten'', die er ook nog eens toe zouden hebben bijgedragen dat de agressor - Servië - in de kaart werd gespeeld. 'De media hebben gefaald, ze bleken al even opportunistisch en bijna zo gemakzuchtig als de politici,'' schrijft Peternel.

I beg to differ.