Griekse beelden in 'nieuw' Allard Pierson

AMSTERDAM, 30 OKT. Met een grote overzichtstentoonstelling van originele Griekse sculpturen neemt het Allard Pierson Museum in maart 1994 een nieuwe vleugel in gebruik. Daarmee krijgt het archeologisch museum van de Universiteit van Amsterdam er drie tentoonstellingszalen bij.

“Uitbreiding was hard nodig”, zegt conservator René van Beek. “Steeds als we een tentoonstelling organiseerden, moest een deel van de vaste opstelling wijken.” Hij wijst op één van de sierlijke lampen in de nieuwe vleugel: “De stijl van het interieur is identiek aan die in het museum; we hoeven weinig te doen om er een eenheid van te maken.”

Het Allard Pierson museum is sinds 1976 gevestigd in het voormalige gebouw van De Nederlandsche Bank aan de Oude Turfmarkt. De Universiteit van Amsterdam, die het gebouw beheert, stelde het achterste gedeelte destijds ter beschikking aan de Universiteits-crèche en het Instituut voor het Moderne Nabije Oosten. Verhuizing van dit instituut maakte de recente uitbreiding van het museum mogelijk. Met het herstellen van de doorgang tussen de gebouwen wordt de splitsing nu ongedaan gemaakt.

Het kapitale voorkomen van het pand doet anders vermoeden, maar het Allard Pierson heeft als universiteitsmuseum weinig te verteren. “De verbouwing wordt voor een belangrijk deel door sponsors bekostigd”, zegt Van Beek. Dat museum en universiteit met elkaar verbonden zijn, brengt echter ook voordelen met zich mee. “Je kunt wetenschappelijk onderzoek doen aan de hand van de objecten die in het museum liggen. We maken ook dankbaar gebruik van onze contacten in de academische wereld, bij het krijgen van bruiklenen bijvoorbeeld.”

Belangrijke bruiklenen zullen volgend jaar te zien zijn op de tentoonstelling Van Marmer tot Mens, vijfhonderd jaar beeldhouwkunst uit het oude Griekenland. Het museum zal daarmee - naast de opening van de nieuwe vleugel - haar zestigjarig bestaan vieren. “Uit België komt een aantal stukken. En we krijgen de Strangford Apollo uit het British Museum”, zegt Van Beek, die er trots aan toevoegt dat een dergelijke tentoonstelling nooit eerder in Nederland te zien is geweest.

Voordat het Allard Pierson Museum in 1976 haar deuren aan de Oude Turfmarkt opende, was de archeologische collectie van de universiteit 42 jaar lang in een 'tijdelijke behuizing' aan de Sarphatistraat ondergebracht. Dat de verzameling uiteindelijk een waardig onderkomen kreeg, is voor een groot deel te danken aan de inspanningen van professor J. Hemelrijk, die in de jaren tachtig bovendien de dreigende opheffing van instituut en museum wist te voorkomen. “Hemelrijk heeft het museum tot bloei gebracht en ervoor gezorgd dat er tentoonstellingen kwamen. Brijder, de huidige directeur, trekt die lijn door.”

De tijd dat een studentenwerkgroep een (kleine) tentoonstelling van de grond wist te tillen, is volgens Van Beek voorgoed voorbij. “Studenten hebben daar gewoonweg geen tijd meer voor. Ze hebben een krap studieprogramma waarin maar een paar weken stage zijn opgenomen. Daarin kun je niet veel doen. Zelf heb ik hier als student nog aan de Dionysus-tentoonstelling meegewerkt. Leerzaam, maar het kostte zeeën van tijd.”

Met vercommercialisering heeft het tentoonstellingsbeleid volgens Van Beek niets te maken. “Als we ons alleen druk zouden maken over de belangstelling van het publiek, kunnen we ons maar beter constant richten op Egypte en Pompeï. Want dát zijn de publiekstrekkers. Pompeï heeft een romantisch aura. Mummies en pyramides spreken ook sterk tot de verbeelding. Maar om belangstelling te wekken voor zoiets als Romeinse terracottas zul je veel meer moeite moeten doen.”

Slechts een deel van de museumcollectie kan door het publiek worden bekeken. Tientallen gipsen afgietsels van klassieke beelden worden uitsluitend voor onderwijsdoeleinden gebruikt en dat geldt ook voor de omvangrijke studiecollectie. Die verzameling omvat vooral veel Grieks aardewerk, kleine bronzen en de grootste Nederlandse collectie van koptische weefsels, grotendeels opgeslagen in depot. Dat depot is ondergebracht in de kluis van De Nederlandsche Bank, die eerst in het museumgebouw gevestigd. “Je ziet het ook aan alle hekken en tralies in het gebouw. We zijn dus heel goed beveiligd”, aldus Van Beek.

De afgelopen jaren is de museumcollectie vooral dankzij schenkingen en legaten flink uitgebreid. Hoewel het Archeologisch Instituut op verschillende plaatsen in het Midden-Oosten bij opgravingen betrokken is, komen de vondsten die daarbij worden gedaan niet in het museum terecht. Van Beek: “Zelf graaf ik in Turkije, maar we mogen niets meenemen. Nog geen potscherf. Dat geldt ook voor Egypte. Alleen een aantal voorwerpen die in Syrië werden opgegraven zijn in het museum terecht gekomen.”

De verschillende culturen uit de klassieke oudheid zijn min of meer evenredig vertegenwoordigd in de museumopstelling. “Vroeger lag de nadruk op het Griekse aardewerk, maar tegenwoordig is de Egyptische afdeling net zo belangrijk. Daarnaast is er een afdeling Cypriotische oudheden die, zeker door kenners, heel hoog wordt aangeslagen.” Een centraal 'Nachtwacht-achtig' kunstwerk heeft het museum niet. “Als je de medewerkers vraagt wat het topstuk van de collectie is, krijg je allemaal verschillende antwoorden.”

    • Erik Spaans