Frankfurt aast op troon Londen

AMSTERDAM, 30 OKT. 'Het einde van de geografie' noemde Richard O' Brien, topeconoom van American Express, de globale financiële integratie in zijn gelijknamige boek uit 1992. Door het wegvallen van barrières voor het internationale kapitaalverkeer en de revolutie in computertechnologie en telecommunicatie maakt het volgens hem voor de spelers op de financiële markt niet zo veel meer uit waar ze op de aardbol zitten. Aarzelend wordt de wereld een global village, maar in financiële zin is ze dat al lang.

Doet de vestigingsplaats van het Europees Monetair Instituut (EMI), de voorloper van de Europese centrale bank, er dan niet meer toe? Hoewel het voor het verliezende Amsterdam verleidelijk kan zijn een dergelijke conclusie te trekken, is de stelling niet juist. Omdat de produkten die financiële instellingen aanbieden zo sterk op elkaar lijken en omdat de internationalisering van de handel prijsverschillen gladstrijkt, moeten bankiers het hebben van toegevoegde eigenschappen. Zoals oliemaatschappijen, die allemaal benzine aanbieden tegen marginale prijsverschillen, het zoeken in consumentenacties en het imago, zo zoeken bankiers het in de toegevoegde waarde van relaties. En die relaties zijn te vinden op de plaats waar het allemaal gebeurt: het financiële centrum. In plaats van dat financiële centra door de globalisering van de financiële markt onbelangrijker worden, lijkt het erop dat ze juist in belang toenemen.

Nu een belangrijk instituut als het EMI zich in het financieel centrum Frankfurt vestigt, heeft dat een vliegwieleffect. Buitenlandse banken zijn er graag bij in de buurt. En zij doen vooral aan wholesale banking, bankieren voor beleggers en bedrijven. Binnenlandse bedrijven assisteren ze met hun buitenlandse transacties, en anderom. Dat betekent dat juist de internationaal geöriënteerde financiële activiteit ter plekke in belang toeneemt, en dat trekt weer anderen aan.

In het onlangs verschenen boek 'Het geld en de stad' laat de Amsterdamse econoom L. Scholtens zien dat de locaties van financiële centra geen statische verschijnselen zijn. Op de langere termijn deden zich in de recente geschiedenis grote verschuivingen voor. Een financieel centrum moet volgens Scholtens voldoen aan een aantal voorwaarden, variërend van hoge omzetten in aandelen en obligaties tot de rol van de nationale munt in de internationale geld- en kapitaalstromen en de reputatie van de centrale bank.

Maar volgens Scholtens is misschien wel de belangrijkste factor dat de omvang van de onderliggende economie een fundament biedt aan het financiële centrum. “De positie van Tokio en New York spreekt wat dat betreft voor zichzelf. Het nationale bedrijfsleven voorziet het financiële centrum van een omvangrijke markt. In Londen is die situatie anders”, contateert Scholtens desgevraagd. Door het ontstaan van de 'Euro'-kapitaalmarkt in de jaren zestig en zeventig behield Londen zijn vooroorlogse koppositie als financieel centrum van Europa, terwijl de onderliggende Britse economie daartoe steeds minder aanleiding gaf.

Londen steekt nog steeds met kop en schouders boven Frankfurt en bijvoorbeeld ook Parijs uit, maar de positie van de Britse hoofdstad kalft langzaam af. Scholtens is dan ook van mening dat Frankfurt op termijn Londen naar de kroon kan steken. Duitslands economie neemt in Europa in belang toe, de Duitse kapitaalmarkt groeit sneller dan de Britse. Het aandeel van het financiële centrum Frankfurt in de internationale bancaire financiering sprong sinds 1985 van 4 naar 6 procent, dat van Londen kalfde af van 29 naar 22 procent. De D-mark is na de dollar de belangrijkste munt op de valutamarkt, terwijl het Britse pond de Japanse yen heeft moeten laten voorgaan. Bovendien heeft het prestige van de Britse centrale bank een gevoelige knauw gekregen van de val van het pond en de BCCI-affaire.

Voor Amsterdam, dat het EMI niet krijgt, betekent het volgens Scholten dat de hoofdstad zich nog meer zal moeten inspannen om bij te blijven bij de andere financiële centra. ABN Amro kondigde vorige maand nochtans aan de research-afdeling van Amsterdam naar Londen te verplaatsen. Volgens Scholtens theorie is die afdeling over tien jaar gevestigd in Frankfurt.