EEN TE MOOI DAGBOEK VAN JACK THE RIPPER

Het dagboek van Jack the Ripper. De ontdekking, het onderzoek en het bewijs door Shirley Harrison, redactie 343 blz., geïll., Luitingh-Sijthoff 1993, vert. Mariëtte van Gelder (The diaries of Jack the Ripper, Smith Gryphon 1993), ƒ 39,90 ISBN 90 245 1139 9

'Ik geloof echt dat ik gek ben geworden. Alle teven zullen boeten voor de pijn. Voor ik klaar ben zal heel Engeland de naam kennen die ik mezelf heb gegeven. Het is echt een naam om te onthouden. Binnen niet al te lange tijd zal hij iedereen in het land op de lippen liggen.'

Puur melodrama, deze zinnen, maar zijn ze afkomstig van een onhandige vervalser of van de onvervalste psychopaat die Jack the Ripper moet zijn geweest? De Nederlandse vertaling van The Diary of Jack the Ripper draagt nog de oorspronkelijke, zelfverzekerde ondertitel De ontdekking, het onderzoek en het bewijs, maar in Engeland heeft uitgever Smith Gryphon zich na een aantal vernietigende commentaren van wetenschappers en Ripperologen nog net op tijd ingedekt. Vlak voor het boek in de winkel kwam te liggen is het nog even snel van een sticker voorzien: IS IT GENUINE? READ IT AND JUDGE FOR YOURSELF. Het heeft niet geholpen; nu iedereen het kan lezen is de opwinding over de vondst nagenoeg verdwenen. De Amerikaanse uitgever Warner Books heeft het boek niet eens laten verschijnen en The Sunday Times, die nog wat goed te maken had sinds het debâcle met de dagboeken van Hitler, bestempelde het dagboek van The Ripper in een kop onbekommerd als FAKE!

Het verhaal is te mooi om waar te zijn: Michael Barrett, een arbeidsongeschikte werkman en mislukt free-lance journalist uit Liverpool, meldde zich enige jaren geleden bij een Londense literair agent. Hij had een dagboek van een vriend gekregen, vertelde hij, die hij tijdens een ziekte had verpleegd. Die vriend, Tony Devereux, was inmiddels overleden, zodat de herkomst niet meer te achterhalen viel, maar dat maakte de inhoud niet minder explosief; Barrett was ervan overtuigd geraakt dat het album de authentieke aantekeningen van de Liverpoolse zakenman James Maybrick bevatte, alias Jack the Ripper, de man die in 1888 in de Londense armenwijk Whitechapel vijf hoeren op afstotelijke wijze vermoordde. Nadat hij het dagboek in handen had gekregen, was Barrett naar de plaatselijke bibliotheek gegaan en had hij alles over Jack the Ripper gelezen. En alles bleek te kloppen.

SPECULATIES

Voor Engelse liefhebbers van waargebeurde misdaadboeken was Maybrick geen onbekende. Hij is zelf het onderwerp van een cause célèbre: in 1889 zou hij het slachtoffer zijn geworden van zijn overspelige Amerikaanse echtgenote Florence, die hem met arsenicum, losgeweekt uit vliegenpapier, zou hebben vergiftigd. De veroordeling van Florence Maybrick, aanvankelijk tot de doodstraf, later tot levenslang, is altijd omstreden geweest en Maybricks dood vanaf het moment zelf was voor veel schrijvers een dankbaar onderwerp voor speculaties.

Maybrick was zijn hele leven verslaafd geweest aan wat toentertijd voor drugs doorgingen, arsenicum en strychnine. Hij was onevenwichtig en achterdochtig, had minstens één minnares en sloeg zijn vrouw. Nu liet hij zich plotseling in weer een andere gedaante zien: een bloeddorstige psychopaat die in de weekeinden naar Londen pendelde om daar zijn lusten bot te vieren: 'Ik heb niets van de teef heel gelaten, helemaal niets.''

De journaliste Shirley Harrison, overtuigd van de authenticiteit van het dagboek, heeft in opdracht van de Engelse uitgever de stukjes van de legpuzzel in elkaar gelegd - en waar ze niet pasten heeft ze gewoon even hard doorgedrukt tot ze erin zaten. Ze besteedt bijvoorbeeld veel aandacht aan zaken waarvan alleen de Ripper op de hoogte geweest kan zijn, zoals het feit dat 'Maybrick' geen melding maakt van twee vermoorde prostituées die in 1888 nog wèl tot de slachtoffers van Jack werden gerekend en pas in de jaren vijftig aan een andere moordenaar werden toegeschreven. Ook is de dagboekschrijver ervan op de hoogte dat bij Mary Jane Kelly, die het gruwelijkst werd toegetakeld, het hart werd verwijderd, iets dat pas heel recent bekend werd. Als de aantekeningen authentiek zijn, dan moet Maybrick het gedaan hebben.

Maar aan de andere kant geeft ze veel te luchtige verklaringen voor de 'fouten' in het dagboek: de handtekening van Maybrick op zijn huwelijksakte komt niet overeen met het handschrift van zijn aantekeningen in het album; Maybrick maakt tussen een van de vele bloeddorstige rijmpjes in het dagboek een toespeling op de liedteksten van zijn broer Michael, een redelijk bekend Victoriaans zanger, terwijl die alleen muziek schreef. Ook het anachronistische gebruik van uitdrukkingen als 'a one off instance' (een eenmalig incident) wordt door haar vrolijk weggewuifd.

Maybrick zou tot zijn daden gekomen zijn wegens het overspel van zijn vrouw; een nogal subtiele wending in het dagboek is dat hij telkens weer verklaart te genieten van die ontrouw, omdat het hem een vrijbrief geeft zijn frustraties op de hoeren in Whitechapel uit te leven. Het is ook een beetje flauw om, zoals veel Engelse Ripperologen gedaan hebben, het dagboek af te doen als een simpele falsificatie, want het geheel zit behoorlijk geraffineerd in elkaar.

De zorgvuldige manier waarop de levensfeiten van Maybrick met de bekende gegevens over Jack the Ripper zijn vermengd, zorgt ervoor dat het dubbelleven van Maybrick in The Diary wel degelijk gestalte krijgt: de getourmenteerde Victoriaanse huisvader en de psychopaat die in het weekend naar 'the City of Whores' reist, sluiten goed op elkaar aan. Uit alle aantekeningen tezamen, die niet gedateerd zijn, spreekt veel kennis van een schizofrene, desintegrerende persoonlijkheid - te veel om uiteindelijk werkelijk geloofwaardig te zijn. De laatste bladzijden, waarin Maybrick ten einde raad een beroep op zijn vrouw doet ('De pijn is ondraaglijk. Mijn lieve Bunny weet alles. Ik weet niet of ze de kracht heeft om me te vermoorden. Ik bid tot God dat ze de kracht mag vinden.''), zouden uit een hedendaagse psychologische misdaadroman kunnen zijn - want uit zulke boeken weten wij inmiddels dat een fatsoenlijke serial-killer uiteindelijk gepakt wil worden of smacht naar de dood.

In de Hitler-dagboeken bleek het papier te nieuw, in deze vervalsing is het bewustzijn van de schrijver te modern. Naar aanleiding van lijmresten die in het boek zijn gevonden, hebben experts geopperd dat het boek zelf waarschijnlijk een echt Victoriaans album is, dat jarenlang heeft dienst gedaan als fotoboek, waarvan alleen de eerste twintig bladzijden zijn gebruikt. Die bladzijden ontbreken nu en zijn bijna zeker door de vervalser verwijderd.

WOORDSPELLETJES

Als het dus om een hedendaagse vervalsing gaat, wat mij vrijwel zeker lijkt, dan is de vervalser waarschijnlijk Michael Barrett zelf; hij is een verklaard liefhebber van het soort woordspelletjes waar het dagboek vol mee staat, hij is mislukt als journalist en doet vaag over de herkomst van zijn vondst. Het zou geen verbazing moeten wekken wanneer in de Engelse pers binnenkort een bekentenis opduikt. De echte Jack the Ripper moet nog altijd gezocht worden onder de weinige, geloofwaardige verdachten die Ripperologen hebben aangewezen: niet de hertog van Clarence, niet Oscar Wilde, zelfs niet James Maybrick, maar een stuk of drie onbekende, onopvallende mannen van wie we vrijwel niets weten, behalve hun naam en dat ze ten tijde van de moorden in Whitechapel woonden.

Dit is het zoveelste boek waarin wordt onthuld wie Jack the Ripper was; de identificatie van de ware moordenaar blijkt een onuitroeibare, internationale obsessie. Na al het kabaal en schandaal die dit valse dagboek heeft teweeggebracht, is het misschien tijd voor een andere, interessantere onthulling: we zullen nooit zeker weten wie Jack the Ripper was.

    • Bas Heijne