Een gouden kooi; De emigranten en de Marokkaanse 'boomtown' Nador

'Het is hier een gevangenis', verklaart de 24-jarige Said tenslotte plechtig. Hij had zo graag iets mooiers en diepers willen zeggen, 'maar dat Frans...'' En hij legt nog eens uit: 'Hier in Nador is het de hele dag televisiekijken, theedrinken, sigaretje roken - verder is er niets te doen. Geen beroep, geen werk, niks. Een gevangenis!'' Intussen roepen zijn vrienden hem in het Berbers van alles toe. Hij wil liever geen uitleg geven, maar tenslotte, met afgewende blik: 'Ze zeggen dat je veel macht hebt, en dat ik je een visum voor Nederland moet vragen.''

We moeten de handen voor de ogen houden. Buiten voor het café El Azhar, vlak naast de markt voor smokkelwaar, striemen met rukwinden stof en zand in het gezicht. Binnen staat de televisie aan. In de cafés van Nador staat altijd de televisie aan. Rai Uno, Super Channel, de Duitse RTL, van alles, zolang het maar geen Marokkaanse zender is. Het toestel hangt zoals overal hoog tegen de muur, en tientallen jonge mannen, de muntthee binnen handbereik, staren met opgeheven hoofden naar het beeld. Een zee van bruine ogen. Er wordt een Amerikaanse lachfilm uitgezonden, in het Duits nagesynchroniseerd. Dolkomisch. Niemand lacht.

'En als het ergens in Marokko moet kunnen dan toch wel hier'' vervolgt Said met vuur. 'Hier is er geld. Het geld van de emigranten, van de smokkel, van de hasj. Ja, ik heb wel een oom die in Nederland werkt, maar daar heb ik niets aan. Zo zijn de mensen hier, iedereen voor zichzelf.''

Een vriend mengt zich in het gesprek, en nog een. Het zijn aardige jongens, maar niet tevreden. De moslims volgen de koran niet, zeggen ze. De moslims zijn egoïstisch, jaloers. Het fundamentalisme, zoals in Algerije, dat is goed, heel goed, maar veel te gevaarlijk - het is verboden, er zitten al fundamentalisten in de gevangenis. En dan haalt Said een miniscuul zakboekje te voorschijn, en laat trots en verlegen een bladzijde zien met een rijtje Engelse woorden: herself, himself, ourselves... 'Engels is het paspoort voor de hele wereld'', fluistert hij opgewonden.

Ze zijn niet allemaal arm. Een van de mannen heeft een handeltje op de markt: schoenen. Hij haalt ze uit de Spaanse enclave Melilla, 15 km naar het noorden. Hij heeft, zegt hij met een bescheiden glimlach, goede contacten met douane en politie. Uit heel Marokko, uit Algerije, en zelfs uit Tunesië komen ze om zijn schoenen en gros te kopen. Het gaat hem niet slecht. Zijn donkerblauwe Mercedes staat voor het café. En dat alles dank zij zijn vader en broers die in Duitsland werken en het noodzakelijke aanvangskapitaal hebben verschaft.

Toch is ook de schoenenhandelaar niet vrolijk. Hij heeft drie kinderen, en na lang wikken en wegen hebben zijn vrouw en hij besloten om de oudste, een jongetje van vijf, naar zijn grootvader in Duitsland te sturen. 'Het is toch het beste, het is voor zijn toekomst. Je weet nooit wat er hier gebeurt, het kan hier best allemaal instorten.''

Rifgebergte

Twintig jaar geleden had Nador nog maar 30.000 inwoners, nu zijn het er 100.000. Nador is een van de snelst groeiende steden van Marokko. Uit het omringende gebied, het oosten van het Rifgebergte, zijn de meeste Marokkanen in Nederland oorspronkelijk afkomstig. Hun geld, en dat van de smokkel en de hasj heeft een ware hausse veroorzaakt. Na Casablanca en Rabat is Nador het belangrijkste financiële centrum van het land. Op iedere hoek van de straat een bankgebouw.

En overal groepjes mannen en jongens die wat rondhangen, zonder werk. Ze zien er niet allemaal even beroerd uit. Onderaan in de hiërarchie staan de talloze schoenpoetsers en sigarettenverkopers, heel jonge jongetjes vaak. Dan degenen die wel wat te eten, maar niks te roken hebben: met gekwelde blikken slenteren ze de dag stuk. Maar er zijn er ook genoeg met een twinkel in de ogen, een Marlboro in de hand, en genoeg geld om in het volgende café een muntthee of cola te bestellen.

De bedelaars, in de schaduw van de huizen gezeten, zijn talrijker dan waar ook in het land: vrouwen met een klein kind tegen de schouder, die vaak goed gekleed gaan en hun aalmoes zonder omhaal opeisen. Ze komen overal vandaan, behalve uit de stad of streek zelf. Dat weet iedereen, want ze spreken geen Berbers.

Hier heerst de sfeer van een pioniersstadje. Er is geen oude medina, geen verweerde, honderden jaren oude stadsmuren, zoals elders in Marokko. Steden hebben de Berbers nooit gekend. Nador is door de Spanjaarden bedacht: zij waren er enkele tientallen jaren de baas, tot 1956. De Berbers bewoonden de vlakten en de berghellingen, al eeuwenlang. Ze waren altijd met te veel en de grond was schraal en de regen schaars.

Ze woonden in huizen als forten. Vier muren zonder ramen. Iets verder naar het westen vaak getooid met kleine torentjes van waaruit - volgens de Nederlandse geograaf Paolo de Mas - 'in voorkomende gevallen de omgeving onder vuur kon worden genomen''. Het waren geen gemakkelijke mensen, de Berbers. Soms in opstand tegen het gezag van de sultan, vaker in onmin met elkaar - de bloedwraak was er even belangrijk als in Zuid-Italië of andere bergstreken rond de Middellandse Zee. En nog zijn de Berbers erg op zichzelf. Ze zijn, zeggen ook de Berbers, te individualistisch om boomtown Nador werkelijk welvarend te maken.

Balkende ezel

Het verhaal van de Saba's is dat van vele anderen uit de streek. Ahmet Saba, in '34 geboren, bewerkte de grond van zijn vaderen, gelegen op een uitloper van het Kebdanagebergte, veertig kilometer buiten Nador. In '63, direct nadat Nederlandse bedrijven in het gebied begonnen met arbeidskrachten te recruteren, vertrok Ahmet naar Nederland. Vrouw en kinderen bleven in de boerderij achter.

Zoon Mohamed, nu 38 jaar oud, laat de restanten van het huis zien. We zijn naar boven gereden in een plaatselijke taxi, een Mercedes van 30 jaar oud, waarvan de versnelling met twee handen bediend moest worden. Het ging langs wegen van zand en puntige stenen, terwijl Mohamed zich steeds met een schamper lachje excuseerde: dit is nou Marokko. Nu staan we bij een huisje van drie bij acht meter. Op een stenen verhoging stond het echtelijk bed. Aan de andere kant de ezel. 'Heb je wel eens geprobeerd om te slapen naast een balkende ezel?'', vraagt Mohamed.

Maar er was tenminste een ezel.

Tien meter verderop staan de restanten van grootvaders huis. Er is nog te zien dat het niet meer dan drie bij drie meter mat. En de vooruitgang zou niet stilstaan. Op enige afstand staat het huis dat Ahmet Saba heeft laten bouwen toen hij enkele jaren in de Limburgse mijnen had gewerkt: 16 bij 16 meter, het traditionele huis van een welvarende Berberse boer. Het grootste deel is binnenplaats, en langs twee muren zijn vertrekken gebouwd. In '67, vier jaar na het vertrek van Ahmet, zijn ze er ingetrokken. En ze namen ook meteen televisie, op een accu.

'Wat we speelden? Wat valt hier nou te spelen in het stof?'' Mohamed schopt tegen de gelige stoppels die hier en daar uit de dorre grond steken. Vijf maanden geleden heeft het voor het laatst geregend. 'Iedere dag naar school, tien kilometer verder, twee uur lopen heen, twee uur terug, in de hitte. En als het regende kon je meteen nergens heen, zat je hier opgesloten.'' Mohameds jongste zusje, die nu met moeder en een andere broer bij hun vader in Gouda woont, zegt later: 'Maar het was ook wel heel gezellig met z'n allen daar. Al die ooms en tantes die in de buurt woonden. We deden heel veel samen. In de stad is dat toch minder: daar heeft iedereen zo zijn eigen huis.''

Op den duur voldeed ook de nieuwe grote boerderij niet meer. De goedlachse Ahmet, zijn stevige gestalte in een witte kaftan gehuld, en even gastvrij als zijn kinderen in het Rif, schenkt muntthee in zijn flatje te Gouda. Hij zegt: 'Ach, televisie is daar toch niet goed mogelijk. Dus ik besloot om in de stad te gaan bouwen.'' In '82 kocht hij voor enkele duizenden guldens een lapje grond in een klein plaatsje bij de kust aan de voet van het gebergte en bouwde er een stevig huis met drie verdiepingen. Zes kamers per etage, beneden een garage. Op een hoog woont zoon Hassan, 31 jaar, zonder werk, en erger, ongetrouwd. Vader Ahmet heeft voor hem in Nederland een vrouw gezocht, maar niet gevonden. Een vrouw in Marokko wil Hassan niet. Ze moet uit Nederland, of op z'n minst uit een ander Europees land komen, want op die manier kan hij in het beloofde land gaan werken. Ahmet Saba en zijn vrouw zuchten. Ze maken zich zorgen over Hassan.

Op twee hoog woont Mohamed, ook werkloos, maar met een gezin. Maandelijks maakt Ahmet geld over voor het levensonderhoud van zijn twee zoons. Het huis dat bij elkaar zo'n honderdduizend gulden heeft gekost is ook door Ahmet betaald. Dertig jaar werken in Nederland, 'en geen dag werkloos, meneer!''

In de Goudse flat zapt zijn dochter van zender naar zender. Telkens als een man en vrouw in beeld komen die met amoureuze bedoelingen de hoofden naar elkaar wenden, zoekt ze prompt een ander kanaal. Een heel gedoe. Bij een lichte aarzeling steekt vader Ahmet bezwerend zijn hand uit naar de afstandsbediening.

In '72 ging hij bij de spoorwegen werken, aan de bovenleidingen. ' 's Nachts, en in de regen, geen Marokkaan of Nederlander wilde dat werk toen doen'', zegt hij. Volgend jaar op 12 maart - de dag weet hij precies - gaat hij met de vut. 'Mijn baas zegt dat er vier Nederlanders op mijn baan zitten te wachten'', en hij lacht tevreden. Een dochter en de jongste, nog een zoon van 22 - die net een diploma boekhouden heeft behaald - zullen in Nederland blijven. Maar hij en zijn vrouw gaan terug, naar het huis, op de bovenste verdieping. Inmiddels staan er honderden net zulke huizen omheen, allemaal van emigranten. De helft van het nieuwbouwwijkje wordt bewoond door gezinnen waarvan de man in Europa werkt. De andere helft staat leeg. En niet alle emigranten zullen terugkeren.

Zeer rijk

In Nador, en de net zo snel groeiende plaatsjes in de buurt, is voor enkele duizenden guldens allang geen lapje grond meer te koop. De grond kost er nu 2000 gulden per vierkante meter: duurder dan het duurste stukje Casablanca, duurder dan bouwgrond in Europa. Enkele mensen worden hier zeer rijk, en dat zijn meestal geen emigranten.

De Marokkaan Mohamed Berriane en de Duitser Hans Hopfinger doen al drie jaar onderzoek in Nador en omgeving naar de invloed van de emigratie. Ze zijn bij wijze van proefonderzoek in een klein stedelijk centrum nabij Nador nagegaan hoe de bouw en verkoop van huizen is verlopen. Het inwonertal van het stadje vervijfvoudigde tussen 1970 en 1990. Twintig procent van de bedrijfjes (meest kleine winkeltjes) is gesloten - de eigenaar is afwezig. Tweederde van de nieuwere huizen zijn het eigendom van mensen die ooit in het buitenland werkten, of er nog werken. Van de nieuwste huizen (gebouwd na '85) is dat zelfs 85%.

Grond en bowwerken zijn vaak door verschillende handen gegaan voordat ze een definitieve koper vonden. Overheidsbeambten en ander kader krijgen de voorkeur bij de uitgifte van grond, teneinde het bezit van een eigen huis te stimuleren. Maar dat biedt ook andere mogelijkheden. In '85 kocht een ambtenaar 100 vierkante meter grond voor 9000 gulden, een jaar later kreeg hij er 12.000 voor, en in 1990 werd er 30.000 voor betaald door een makelaar die er voor 50.000 een huis op bouwde. Het huis werd aan een emigrant in België verkocht voor 120.000 gulden.

Door verkoopakten te bestuderen en navraag te doen, hebben Berriane en Hopfinger kunnen aantonen dat niet alleen in dit geval, maar vrijwel altijd de emigrant het slachtoffer is van de speculatie. En degenen die profiteren komen vaak uit heel andere delen van Marokko: uit Fes, Rabat of Casablanca.

Het zijn dus hoogst improduktieve investeringen die de emigranten doen. De werkgelegenheid neemt buiten de bouw maar zeer langzaam toe. Het is een patroon dat zich in andere gebieden ook heeft voorgedaan. In Tunesië zijn er net zulke steden, en ook in Turkije. Alleen in Turkije is er met overheidshulp (gemakkelijke kredieten, importsubsidies op kapitaalgoederen, belastingvoordelen) door de emigranten een omvangrijke textielindustrie opgezet. Turkije is nu voor textiel een exporterend in plaats van een importerend land.

In Marokko is een bescheiden begin gemaakt met zulke stimuleringsmaatregelen. Maar stimuleren helpt niet veel als er een buitensporig overheidsapparaat bestaat dat met talloze formulieren en veel geld gevoed moet worden wil het de nodige vergunningen verstrekken. En dan is er ook nog het berbers individualisme, het onderlinge wantrouwen. Er is één man in Nador, Abdeli Sidali genaamd, die uit Duitsland teruggekomen een groot hotel bouwde, inkoopcoöperaties opzette, en nu onder meer doende is met de bouw van een winkel- annex congrescentrum, met roltrappen en al, waarvoor hij heel Duitsland heeft afgereisd om aandelen aan zijn landgenoten te verkopen. Sidali is anders, maar een uitzondering nog.

Mozaïeken

Wit en blinkend staan de emigrantenhuizen in het zonlicht. En meestal compleet verlaten. Kunstig bewerkte en kostbaar ogende tegels om de toegangsdeuren die voorzien zijn van fraai koperwerk en gewelfde tralies. Mozaïeken omzomen de balkons. Soms zijn hele buitenmuren betegeld, en uitstekende balken en daklijsten versierd met geschilderd reliëf-stucwerk. Sierlijke moorse pilaartjes, te pas en te onpas gebruikt, geven hier en daar nog extra allure. Het is iets heel anders dan de vier sobere muren van vroeger.

De onderzoeker Berriane maakt er graag het gebaar bij van een handschoen die uitgetrokken wordt. 'De huizen zijn binnenstebuiten gekeerd. Vroeger was aan de buitenkant niet te zien hoe rijk een man was. Iedereen had dezelfde muren om zijn huis en dezelfde ene toegangsdeur. Binnen kon het dan soms zeer luxueus zijn met dure mozaïeken, kostbaar tegelwerk en Andalusische fontijnen. Met deze huizen is het precies omgekeerd. Binnen is het vrijwel overal hetzelfde: Europees ingericht, met bankstellen en zo. De rijkdom zit nu buiten, om aan iedereen te laten zien.''

De Belgische antropologe Marie-France Cammaert deed onderzoek naar de wereld van de Berberse vrouwen op het platteland, in Nador, en in Brussel. Was de solidariteit tussen de vrouwen op het platteland groot, in Brussel had die vrijwel plaatsgemaakt voor onderlinge competitie - wie heeft het grootste huis, de duurste meubelen, de mooiste jurk. Maar ook in de Nador was status al belangrijker dan verbondenheid. Het Rifgebied is aan zijn jaren vijftig bezig, alleen ontbreekt de volledige werkgelegenheid.

Werk is er wel, vooral in de bouw, en het wordt beter betaald dan elders, maar dat werk wordt gedaan door Marokkanen uit het diepe zuiden. De Rifbewoners houden de blik strak op Europa gericht en laten het zware en in hun ogen toch nog onderbetaalde werk over aan emigranten. 'Luie flikkers zijn het hier'', scheldt de cafébaas. 'Personeel hou ik niet langer dan een, twee weken. Dan hebben ze weer even geld voor thee en sigaretten. Nee, dromen van het paradijs in Europa, dat kunnen ze heel goed. Ze denken dat het geld daar uit de lucht komt vallen.'' En de verpleger met een inkomen van 400 gulden, een redelijk bedrag voor Marokkaanse begrippen, zegt dat hij onmogelijk van zijn werk kan houden: 'Niet voor dat geld. Dat is toch een schijntje? In Nederland verdienen de verplegers twee tot drieduizend gulden!''

Veel hoeven er helemaal niets te doen: vader werkt in Europa en zorgt voor het huis, het eten, de thee en de Marlboro's. Er wordt veel gegrijnsd als dit verschijnsel aan een groepje welvarend ogende jongens wordt voorgelegd. 'Niet iedereen hier moet zo nodig naar Europa. Het is daar vol, en er zijn racisten'', verklaart er een; en een ander, 22 jaar oud, goed opgeleid maar werkloos: 'Ik kijk wel uit. Eten, slapen, piekfijne kleren, kijk maar, allemaal dik voor mekaar.'' Waarop de oudste en de leider van het groepje doceert: 'Ja, dat is natuurlijk de pest. Hier hebben we nog de familiesolidariteit. Een vader zal zijn kinderen nooit het huis uitzetten, al zijn ze dertig of ouder. En hij zorgt voor ze, geeft ze geld. Dan is het niet zo nodig om te gaan werken.''

En de vrijheid dan? Vrijheid om wat te doen, vragen ze. Nou, naar een discotheek gaan bijvoorbeeld, en drinken. Maar dan springen de vrienden als één man tegelijk op. 'Dat is iets anders, daar kom je op het terrein van de godsdienst. De godsdienst verbiedt dat soort dingen eenvoudig. Je kan niet naar een disco gaan met een meisje, daar wat drinken en dan weer rustig naar huis gaan. Dat mag van de vaders niet.''

En als de Marokkaanse jongens uit Nederland komen met hun mooie spullen en hier de boel op stelten zetten?

'Ja, haha, natuurlijk komen ze hier om flink te showen. Dan zeggen wij, luister eens, jij werkt je elf maanden kapot om een grote Mercedes te huren en een maand te leven. Nou, wij leven hier twaalf maanden per jaar, dus doe maar een beetje gewoon.

'Laatst hadden we hier een paar van die jongens die wilden naar de wc, en dat kon niet want die was kapot. Liepen ze weg en riepen ze 'klootzak'. Hebben we ze even teruggehaald en ze er fijntjes op gewezen dat dat zo niet gaat. We zijn niet dom hier. Iedereen in Nador weet wat klootzak betekent.''

Conservatisme

In Nador hebben ze allemaal veel te klagen. Over elkaar, over het gebrek aan werk, geld, een groot huis en een Mercedes; maar daarna, en vooral, samen over wat wisselend genoemd wordt 'het zuiden', de koning, Rabat, Casablanca, de arabieren, of gewoon 'Marokko'. Ieder compliment over de fraaie huizen wordt beantwoord met een misprijzende verwijzing naar de straat ervoor, waar tussen zand, puin en vuilnis enkele schapen en geiten iets van hun gading zoeken. 'Huis rijk, straat arm.'' Dat is volgens iedereen de schuld van de regering. Alleen vader Ahmet Saba meent dat het iets te maken heeft met de voortdurende afwezigheid van de eigenaren, waardoor gezamenlijke actie maar niet wil lukken.

Ook is er de eigen aard van de Berbers. Sociaal-wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de hoge consumptie het conservatisme van de Berbers nauwelijks heeft aangetast, en daar zijn de Berbers het hartroerend mee eens. Zij zijn diep gelovig, tonen nog respect voor de vrouw, gebruiken weinig woorden en zijn altijd recht door zee. De arabieren kletsen zo veel, zijn slinks - gluiperds eigenlijk, zeggen ze hier in het noorden. Het wantrouwen tegen stadse lui.

De huisbaas die in Frankrijk heeft gewerkt is trots op zijn soort mensen. 'Bij de echte mensen van Nador is het nog als vroeger. De vrouwen gingen nooit alleen uit. Respect, dat was er. Maar wat gebeurt er? Er komen hier lui wonen uit het zuiden, en die leren de vrouwen slechte dingen. De ene buurvrouw leert het van de andere, en als de man het dan een beetje laat lopen... Maar gelukkig is niet iedereen zo. De echte Nadorianen weten nog wat respect is.''

Hij heeft zijn kinderen, die het in Frankrijk goed deden van school gehaald, en laat ze hier hun opleiding afmaken. 'Dan kan ik ze zien, hou ik ze in de gaten. Als ze gaan drinken weet ik dat meteen, want iedereen zal het me vertellen.'' En de kinderen zien ook geen verkeerde dingen. 'Mijn dochter, als die vrijende mensen op tv ziet, dan meteen...'', en hij slaat de ogen neer, 'hup, naar d'r eigen kamer.''

De jonge jongens van Nador schijnen het goed begrepen te hebben. Ja, in contact komen met meisjes is niet moeilijk, maar niks van uh.. en dan worden er slinkse gebaren gemaakt. Nee, dat kan niet, 'het mag niet van God''. En, leggen ze nauwkeurig uit, de koran heeft voorgeschreven dat er eerst een contract moet worden opgemaakt, trouwen dus, waarvoor in Marokko veel betaald moet worden aan de vader van de bruid, die dan een geweldig feest aanricht. De prijzen variëren van 4000 tot 20.000 gulden. In het Noorden dichter bij het laatste, want ook op de huwelijksmarkt zijn de prijzen door de emigranten opgedreven. Dus behalve geen werk is er voor velen ook geen vrouw.

Duits kenteken

Voor de Marokkaanse jongens uit Europa die met vakantie komen is het even wennen. Avond aan avond staan aan een brede boulevard, schuin tegenover een nieuw hotel, twee Mercedessen 190L met Duits kenteken en gedoofde lichten. De jonge mannen die er in zitten praten op gedempte toon, en brengen zo nu en dan een klein flesje Heineken naar de mond. 'Mein Gott, wat is dit een vervelende stad'', zegt de 23-jarige Mohamed. Bier is hier wel te krijgen, als je weet waar, je moet alleen altijd zo uitkijken voor de politie. Een sticky roken, daar moet je ook mee oppassen. 'Moet je zien, negen uur 's avonds en niemand op straat, alles leeg. Alleen maar een beetje televisie kijken.''

De ogen blijven voortdurend gericht op het hotel aan de overkant. Ze wachten op vrouwen die daar soms naar buiten komen. En dan, voor maar vijftig mark, zegt Mohamed met een twinkel, 'die ganze Nacht bumsen!''

Het wachten duurt lang. Om de landerigheid te doorbreken rijden ze even een ommetje, langs de cafés. Daar zijn de laatste modellen Sony televisies naar buiten gereden, op de stoepen zijn de stoelen in rijen gezet, en terwijl uit de luidsprekers angstige vrouwenkreten en geluiden van schoten en gierende autobanden schallen, kijken honderden ogen gespannen naar de beelden van Super Channel.

Niet iedere jonge Marokkaan die rondhangt in de cafés van Nador is arm, niet allemaal zijn ze werkloos. Maar in de pioniersstad die met het geld van emigranten wordt volgebouwd, is de grond inmiddels onbetaalbaar, is het werk nog altijd schaars en kost een huwelijk vijf keer zoveel als in het bergland van het Rif. Nador floreert bij de gratie van het geld dat de Berber-vaders vanuit West-Europa naar Marokko overmaken. De zoons bewonen het huis dat vader in harde guldens bij elkaar verdiende. Intussen verzamelen ze Engelse woorden waarmee de weg naar rijkdom is geplaveid. Of ze schikken zich in hun draaglijk lot: 'Niet iedereen hier moet zo nodig naar Europa. Het is daar vol, en er zijn racisten'.