De staatsorganen geinfiltreerd; Een borrel in het café is ruim voldoende

Niet bekend

Kortom, een bij voorkeur gereformeerde democratie waar de verontwaardiging automatisch uitbreekt als de politieke klasse wordt bedreigd - die immers a priori onkreukbaar is. Zoiets als Nederland dus en wellicht ook Denemarken.

Maar in België werkt de macht anders. Waarin zou een crimineel eigenlijk moeten infiltreren? Vlaanderen, Wallonië, Brussel, de Franse Gemeenschap, de Duitse Gemeenschap, de Belgische regering, de Provincie of wellicht een plaatselijk College van Schepenen? Via de socialisten, katholieken of vrijzinnigen? Een land zonder nationale loyaliteit of eenheidsbesef - daarin infiltreren is een opgave op zich, alleen weggelegd voor 'Belgische' criminelen met dito historisch besef.

En op regionaal niveau? Ook dat lijkt niet meteen nuttig. Vlaanderen en Wallonië lijken sterk op het verzuilde Nederland uit de jaren vijftig, toen er nog protestants werd gevoetbald en socialistisch werd verpleegd. Zij het dat niet het geloof, maar de partijkaart tegenwoordig het hele leven kleurt. Soms is men rechtstreeks lid van een partij, maar veelal is het de 'mutualiteit' waarbij men is aangesloten, het kiesdistrict waar men woont, het bedrijf waar men werkt of de universiteit die men bezocht. Zelfs banken, reisbureau's of apotheken kunnen een politieke kleur hebben. België wordt bestuurd door 'politieke concerns' - socialistische of katholieke conglomeraten van verzekeraars, vakbonden en partijen.

Politieke partijen in België kunnen alleen bestaan door giften van ondernemers, rijke vakbonden of ziekenfondsen. Doorgaans zit men ook in elkaars besturen; in de fameuze 'politieke salons' van Brussel komt de leidende klasse van België elkaar voortdurend tegen. In dat milieu is iedereen infiltrant. Het hoort gewoon zo. Voor de politieke cultuur heeft dat vergaande gevolgen. Moeilijke problemen worden vrijwel uitsluitend in diep-geheime onderonsjes opgelost, ver buiten de Kamer en Senaat om. De volksvertegenwoordigers hebben in België vooral een symbool-functie, zij fungeren als de publieke tribune van de democratie. Kamerlid of senator is in België een bijbaan. De politieke macht zit bij de partijvoorzitters, die als een soort president-directeur van hun politieke concern het kabinet of de gewest-regering controleren.

Voor de individuele burger is entree bij zo'n zuil onontbeerlijk. Vrijwel alle banen bij de overheid worden immers via de zuilen verdeeld. Dat geldt zelfs voor de rechters, die zonder politieke steun niet benoemd kunnen worden. Is er een rooms-rode coalitie aan de macht, dan worden er alleen rechters uit die partijen benoemd. Partijen die in de oppositie zijn, halen de achterstand gauw in als ze weer in de regering zitten. Daar is een woord voor: 'even voltanken'.

Het komt allemaal doordat België geheel uit minderheidsgroepen bestaat die elkaar uit alle macht buiten proberen te houden. In 1973 kwam daar zelfs een wet voor - het Cultuurpact die een 'pluralistische bezetting' van het overheidsapparaat verplicht stelde. Sindsdien kan een katholieke gymleraar of ziekenzuster voor een baan worden afgewezen als het quotum voor socialisten nog niet is gevuld. Voor diploma-eisen wordt dan vaak een oogje dicht geknepen.

Infiltratie in dit systeem is eenvoudig. Wie bij de overheid wil, zorgt voor een goed woordje van bevriende partijconnecties. Liefst loopt men even binnen bij de relevante schepen of bij het Kamerlid van het eigen district. Vaak is dat dezelfde persoon. Politici houden in hun districten in het weekend spreekuren voor hun cliëntèle, in cafés of gewoon thuis. Ze adverteren persoonlijk met overheidsvacatures. Zijn ze aan de macht dan begrijpen ze automatisch dat hun achterban bediend moet worden met overheidsopdrachten, banen of subsidies.

Premier Dehaene heeft ooit opgemerkt dat hij als minister van verkeer in een bepaald jaar de helft van alle telefoon-aansluitingen in Brussel op die manier had 'gearrangeerd'. In België koopt men elkaar dus af: het resultaat is politieke vrede, de methode heet 'het Belgische model'. Een crimineel die zich in dit stelsel daadwerkelijk laat kiezen, zou algemene verbazing wekken. Waarom niet gewoon naar het spreekuur gegaan om te zien of de minister zich niet laat bepraten?

Schandalen in België zijn altijd incidenten waarbij het protectionisme al te zeer opviel en de beloningen al te buitensporig waren. Vorig jaar werd bijvoorbeeld ex-burgemeester Edouard Close van Luik wegens corruptie tot 28 maanden voorwaardelijke celstraf, een boete en teruggave van 1 miljoen frank smeergeld veroordeeld. De burgemeester had de exploitatie van parkeerautomaten en de levering van bushokjes en reklamepanelen in Luik 'verkocht' in ruil voor snoepreisjes en geschenken ter waarde van bijna 8 miljoen frank. Ook de onopgeloste moord op de Waalse socialistenleider André Cools zou corruptie als achtergrond hebben. Opvallend is dat de maatschappelijke verontwaardiging minimaal is. 'Affaires' worden braaf beschreven in de krant, maar vallen op dove oren. Politici zijn nu eenmaal kreukbaar, lijkt het uitgangspunt.

Maar het absolute symbool van dit type Belgische politicus is oud-premier en vleesmagnaat Paul Vanden Boeynants, die medio jaren tachtig, ruimschoots gepensioneerd, door Justitie werd gedagvaard wegens 137 van dergelijke vergrijpen. Vanden Boeynants werd uiteindelijk veroordeeld wegens belastingfraude. In 1990 verscheen hij nog eens voor een parlementaire commissie. Hem werd toen gevraagd of hij tijdens een dienstreis als minister van defensie in Hongarije ook orders voor zijn vleesbedrijf wierf. VDB gaf een retorisch antwoord: “Zou een industrieel die minister wordt dan plotseling geen zaken meer mogen doen?” In België weet iedereen dat dat voor zichzelf spreekt.