CASIMIR

Mens en kosmos door H.B.G. Casimir 191 blz., Meulenhoff 1993, ƒ 34,50 ISBN 90 290 4188 9

'Ik hoop dat ik mij duidelijk heb uitgedrukt en dat sommige van mijn denkbeelden enige weerklank zullen vinden.' Aldus H.B.G. Casimir, nestor van de Nederlandse natuurkunde, in de inleiding tot zijn nieuwste boek Mens en kosmos.

Die titel komt, net als de aanduiding 'essays', vast van de uitgever: modieus taalgebruik is Casimir vreemd en zelf spreekt hij liever van 'opstellen'. In die opstellen schuilt heimwee naar de tijd dat geëngageerd nog maatschappelijk geïnteresseerd heette, en irrelevant onbelangrijk. Naar de dagen dat eentiende nanometer gewoon een ©1Angström was en het prachtige 'toestellen' nog niet door 'apparatuur' verdrongen. Tegelijk heeft Casimir veel behartigenswaardigs te zeggen over wetenschap en maatschappij, zorgvuldig onder woorden gebracht, blijk gevend van een sterke bewogenheid, geestig, ouderwets èn actueel.

De teksten die in Mens en kosmos zijn gebundeld stammen op een enkele uitzondering na uit de jaren na Casimirs pensionering in 1973. Voor de helft zijn het voordrachten en (feest)redes, over uiteenlopende onderwerpen als de wetenschap-technologie spiraal, de toekomst van het boek en de kloof tussen alfa's en bèta's. Alhoewel de auteur meent zichzelf nergens tegen te spreken, dateert de tafelrede 'Jam en marmelade' van 1965 èn (blijkens de 'verantwoording') 1961. De oplossing zal wel zijn dat Casimir haar tweemaal heeft uitgesproken. Drie biografische verhandelingen, over Niels Bohr, Heike Kamerlingh Onnes en Hugo Tetrode, besluiten de reeks. De laatste doet verslag van Casimirs naspeuringen naar het leven van een teruggetrokken genie dat het bestond het duo Ehrenfest en Einstein, onaangekondigd op bezoek, te laten wegsturen: 'Meneer ontvangt niet.' Opvallend is dat Casimir zich in zijn 'erflaterslezing' aanmerkelijk minder wrevelig jegens Onnes toont dan eerder in zijn autobiografie Het toeval van de werkelijkheid.

In het kleine opstel 'Wetenschapsbeleid in 1993' (niet eerder gepubliceerd) vat Casimir zijn meningen over de verhoudingen tussen hoger onderwijs en universitaire en industriële research nog eens bondig samen. Daarbij neemt hij geen blad voor de mond: 'Een oude man heeft het recht arrogant te zijn.' Over studielast: 'Zestig uur per week lijkt me een minimum.' Over een strenge selectie in de eerste studiemaanden: 'Door deze aanpak zouden vele studenten in spe worden afgeschrikt. Dat vind ik eerder een voordeel dan een nadeel.' Over meerkeuzevragen: 'Alles dat goed kan worden geëxamineerd met multiple choice-vragen behoort niet tot het echte hoger onderwijs.' En over de verplichting van de universiteit als gesubsidieerde instelling diensten te bewijzen, in het bijzonder ook aan de industrie: 'Ze kunnen aan die plicht het beste voldoen door niet te luisteren naar de wensen van de industrie.' Nog altijd onderschrijft Casimir het research-beleid dat hij in zijn Philipstijd voorstond. Niet zonder bitterheid: 'Dat in later jaren mijn opvolgers het nodig hebben gevonden er radicaal van af te wijken heeft mij veel verdriet gedaan.'

Casimir neemt het op voor bedreigd talent. Dat moet worden gekoesterd met goed onderwijs. Wat hij daaronder verstaat vat hij samen in een enkele zin: 'Er is slechts één vorm van werkelijk onderwijs, en deze bestaat niet in het lopen van colleges, het uitvoeren van practicumexperimenten en het oplossen van problemen uit leerboeken; zij bestaat daarin, aan de grens van ons tegenwoordig weten te worstelen met het onbekende en het onverwachte, onder de leiding van een leermeester die vol enthousiasme is en enthousiasme weet te wekken.'

Duidelijk uitgedrukt, in bijzonder fraai Nederlands bovendien, en een denkbeeld dat bij voorstanders van de elite-universiteit zeker enige weerklank zal vinden.

    • Dirk van Delft