ARBEID EN STUDIE OP Z'N ROOMS

Rooms en studentikoos. Vriendschap, geloof en wetenschap in de Rooms-Katholieke Studenten Vereniging 'Sanctus Thomas Aquinas' te Amsterdam. 1896-1980 door Oscar Steens 486 blz., geïll., Stadsuitgeverij Amsterdam 1993, ƒ 69,50 ISBN 90 5366 026 7

Katholieke Arbeidersbeweging II. De KAB en het NKV in de maatschappelijke ontwikkeling van Nederland na 1945 door Jan Peet 566 blz., geïll., Arbor 1993, ƒ 49,50 ISBN 90 5158 0401

Het socialisme is wel de laatste maar niet de enige levensovertuiging die het hard te verduren heeft. Een belijdende katholiek van, zeg, vijfenzeventig jaar heeft binnen zijn of haar tijd de triomfantelijke opkomst èn chaotische neergang van de organisaties op katholieke grondslag meegemaakt. In het persoonlijke leven mag die curve een drama of een bevrijding betekenen, in de geschiedsbeschrijving kan het als een boeiende inkijk in de verzuiling en doorbraak van het Nederlands maatschappelijk bestel uitpakken.

De boeken van Steens en Peet over respectievelijk de katholieke studentenbeweging en de katholieke arbeidersbeweging laten zich goed vergelijken, ook al ligt het zwaartepunt bij het onderzoek van de studentenvereniging in de vooroorlogse periode, terwijl de studie naar de arbeidersbeweging dan pas echt begint.

De Amsterdamse studentenvereniging 'Sanctus Thomas Aquinas', 'Thomas' in de wandeling, werd aan het einde van de vorige eeuw opgericht als schild voor de katholieke studenten tegen de 'heilloze ongodisterij' aan de Amsterdamse universiteit, in het spoor van zovele confessionele organisaties die de verdediging zochten tegen de liberale vrijdenkerij en het anti-klerikale socialisme. Die defensieve neiging staat in roomse kring bekend als 'de Katholieke Emancipatie', terwijl historici en politicologen die afweer als een belangrijk bestanddeel van de verzuiling beschouwen, de verdeling van het openbare leven naar levensbeschouwelijke kleur.

In weerwil van deze erfelijke belasting was 'Thomas' vooral ook een studentenbeweging en stond als zodanig onder de beurtelings minzame of vijandige, maar altijd penetrante invloed van het Amsterdams Studenten Corps. Met uitzondering van de vroege ideële periode, de zogenoemde 'fascistische fase', en tegen het einde van zijn bestaan heersten in 'Thomas' de mores van het corps. De volgende passage had regelrecht uit een van Vestdijks Anton Wachter romans genomen kunnen zijn: 'Het vlotte deerntje kwam in een rose peignoir uit de slaapkamer stappen en vroeg quasi-argeloos: 'Blijven de heeren misschien theedrinken?' Een van de studenten haalde misprijzend zijn schouders op. Smits vond de situatie wel geestig en lachte, terwijl hij mompelde: 'Je bent een verd... leuk snolletje, Kaatje'.'' Het boek ritselt van de studentikoze wetenswaardigheden, overigens lang niet allemaal even aardig neergezet als deze. De schrijver haalt het uiterste uit kwesties die 'Thomas' had met het corps en met Propria Cures over echte of vermeende uitingen van anti-papisme, maar het vermag de buitenstaander niet erg te boeien.

VERDINASO

Met de episode over de machtsgreep van de aanhangers van het fascistische Verdinaso (Verbond van Dietsch Nationaal Solidaristen) krijgt de lezer echter een belangrijk en spannend conflict tussen provincialisme en radicalisme voorgeschoteld. Rond 1930 bezetten sympathisanten van het fascisme en het nieuwe katholieke élan dat door de pausen Pius X en XI gepreekt was de lokalen van de roomse studentenpers en beginnen een hardhandige opmars door de disputen en besturen van de vereniging. Een proeve van het koene proza dat die coup oplevert: 'Wij gaan volgens een éénjaars plan u allen veroveren: uw vooroordelen, uw heilige huisjes, uw aarzeling en uw kleinheid. Wij hebben nu een jaar of wat aangezien hoe de meeningsvrijheid en de strijdbaarheid van de groep jongeren die de belangrijkste had dienen te zijn, werden weggesausd met onschadelijke, deugdzame en verheffende middenstandsjournalistiek.''

Het rechts-extremisme heeft altijd een kwajongensachtige kant gehad, en de corpsmores altijd een fascistische. Hoe het ook zij, een tijdlang leek de legering van studentikoze branie en fascistische bravoure bon ton te worden in 'Thomas'. De inhaalmanoeuvre door de katholieken aan het begin van de eeuw had veel zelfbeheersing gevergd, dus deze retoriek kon een tijd lang op succes rekenen aan katholieke zijde. Maar na een paar jaar maakte een prijzenswaardige geest van burgerlijk verstand een einde aan de eerste schreden van een studentenvereniging naar het politieke avontuur.

Een aantal jongeren uit die tijd is een zeker 'Unbehagen in der Kultur' bijgebleven, en zij hebben zich na de oorlog ingespannen in de doorbraakpoging van de verzuilde partijverhoudingen kort na de oorlog, en een enkele, zoals Bernard Delfgaauw, deed zelfs tijdens de jaren zestig nog van zich spreken.

Al met al heeft 'Thomas' zich tijdens de oorlog niet moediger of laffer gedragen dan de meeste studentenverenigingen in het land, en die houding stak in ieder geval nog gunstig af bij de algehele lamlendigheid van de Universiteit van Amsterdam ten opzichte van de gelijkschakeling door de Duitsers.

Na de oorlog conformeerde 'Thomas' zich zo'n twintig jaar aan de opvattingen van het katholieke en burgerlijke establishment, en had zodoende zijn aandeel in de toenemende ontgroeningsbarbarij binnen de corpora. De protesten tegen deze stuiptrekkingen lijken het sein te zijn geweest voor een algemene leegloop van de officiële studentenverenigingen, en de opkomst van de jeugdbeweging in de jaren zestig. Nog éénmaal radicaliseerde 'Thomas', deze maal in linkse richting, maar de Bob Dylan-avonden en de exploitatie van een open sociëteit annex-hotel konden de eerstejaars niet binnen de poorten houden. 'Verdovende middelen, sex, en suicide,'' somberde de laatste geestelijk leidsman van de vereniging. Maar 'Thomas' ging gewoon ten onder aan de secularisatie, en het wijdverbreide faillissement van de traditionele jeugdorganisaties in die dagen.

VREEMDE ONTPOPPING

In de eerste helft van deze eeuw, tijdens de Katholieke Emancipatie, was de katholieke arbeidersbeweging, die toen nog het Rooms Katholiek Werklieden Verbond heette, een standsorganisatie geweest, die in de eerste plaats de leerstellige zuiverheid en onderlinge saamhorigheid van het arbeidende deel van de katholieke bevolking bewaakte. Veel meer dan 'Thomas' liep de arbeidersbeweging aan de leiband van de kerkelijke hiërarchie, en dat was gezien tal en macht van die klasse ook geen wonder. Het boek van Peet behandelt nu de vreemde ontpopping van een gecompliceerde gildenorganisatie tot een moderne vakcentrale, de NKV, die al kort na zijn aantreden vaststelde dat hij overcompleet was, en tot een samengaan met het NVV besloot.

Ik noem die gedaanteverwisseling vreemd omdat de KAB een vergelijkbare semi-fascistische fase heeft gekend als 'Thomas', maar ingrijpender en van langere duur. Dezelfde katholieke bronnen die in de jaren dertig tot een soort culturele revolutie onder de intellectuelen hadden opgeroepen, hadden zich sterk gemaakt voor een corporatistische ordening van de maatschappij, die losjes met 'de Nieuwe Gemeenschap' werd aangeduid (De ideeën hierover deden overigens ook opgeld buiten katholieke kring, bijvoorbeeld onder de voormannen van de al genoemde doorbraak-initiatieven van na 1945).

De tragische strijd tussen arbeid en kapitaal zou volgens die gedachten beslecht moeten worden in een Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO) die zich over alle takken van landbouw, industrie en dienstverlening zou moeten uitstrekken, en waarin alle belanghebbenden in een permanent overleg bijeengebracht zouden beslissen over lonen, prijzen, ziekenfondsen en sociale verzekeringen etc. Die beslissingen zouden krachtens het 'subsidiariteitsbeginsel' moeten vallen op een zo laag en lokaal mogelijk niveau, dus met behoud van de inbreng van de direct betrokkenen. Maar dank zij een even onvoorziene als onontkoombare tendens tot centralisering en professionalisering in het maatschappelijk leven, is dit fijnmazig bouwsel op een aantal organen na nooit van de grond gekomen.

Overleg-economie werd wel de norm, en met succes in de ogen van de achterban van de KAB, maar op een centraal en nationaal niveau. Onder een toenemende secularisatie van de ideeënwereld en levensstijl van het katholieke volksdeel was het ook niet meer noodzakelijk om een aparte katholieke vakbeweging te handhaven. De NKV trok daarom in 1974 de enige mogelijke conclusie uit het kerende tij waar 'Thomas' ook al mee te maken had gehad en bundelde zijn krachten met het NVV.

Was met de neergang van 'Thomas' niet zoveel meer te betreuren dan de verdwijning van wat 'paapse stoutigheden' van de katholieke bourgeoisie, met de ontmanteling van de KAB ging een heroïsch principe ten onder, een streven naar kleinschalige verzorgingsarrangementen zoals dat veel later, in 1983, in deze krant door Abram de Swaan weer bepleit zou worden in een viertal artikelen (Reformatie van de verzorging).

FOLKLORE

De twee boeken hebben veel meer in petto dan de defensieve, impulsieve en zelfdestructieve neigingen die hierboven grof geschetst zijn, maar het is de vraag of dat allemaal zo interessant is. Het verhaal van 'Thomas' bevat wel erg veel folklore die alleen ingewijden zal vermaken. Daar staat tegenover dat het vlot en geestig geschreven is, zoals men van een in het studentenblad geslepen pen verwachten zou.

Het boek over de KAB daarentegen is veel analytischer, met weinig oog voor saillante details, een beetje schools ingedeeld in een drietal perioden waarin een vast aantal onderwerpen (bijvoorbeeld sociale zekerheid, ziekenfondsen, bezitsvorming) de revue passeren. Dat levert nogal wat herhalingen op en die, gevoegd bij de wat houterige verteltrant, maken het boek een beetje saai. Toch dragen het belang en de ernst van het verhaal ertoe bij dat de lezer spijtig afscheid neemt van de katholieke arbeidersbeweging, terwijl hij 'Thomas' met een glimlach laat schieten.

    • Samuel de Lange