Ze kijkt niet, ze luistert; Zingende meisjes en brandende huizen uit de Gouden Eeuw

De meeste tekeningen op de expositie Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw zijn zeer gedetailleerd en vertellen een afgerond verhaal. Tekeningen die niet waren voltooid, werden soms in een latere eeuw alsnog afgemaakt. Toch is de onaffe tekening van een zingend meisje de mooiste op de tentoonstelling.

Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw. Amsterdams Historisch Museum. Ma t/m vr 10-17, za en zo 11-17u. T/m 9 jan 1994. Collectiecatalogus ƒ 89,50.

De tekening is de sleutel tot veel oude kunst. Omdat een schets of voorstudie losser is en daardoor abstracter lijkt dan de uitwerking ervan in een schilderij, krijgt hij makkelijker toegang tot het oog van de hedendaagse kijker. Maar de laatste tijd staat behalve de impressionistische schets ook de meer uitgewerkte tekening weer in de belangstelling.

Deze zogenaamd 'voltooide' tekeningen voeren de boventoon op de expositie die het Amsterdams Historisch Museum nu heeft samengesteld uit zijn collectie zeventiende-eeuwse Hollandse tekeningen. Zulke gedetailleerde werkjes waren van meet af aan als zelfstandig kunstwerk bedoeld; het getekende portret verving bijvoorbeeld de veel duurdere geschilderde beeltenis. Ook genres als de 'marine', schepen en zeegezichten, en met pen of krijt gemaakte landschapjes waren in de zeventiende eeuw als autonoom kunstobject zeer gewild.

Tweederde van het getoonde stamt uit de verzameling van Carel Joseph Fodor, de negentiende-eeuwse kolenhandelaar die zijn kunstcollectie in 1860 aan de stad Amsterdam naliet mèt geld om er een museum voor te bouwen. Fodors interesse ging, zoals in zijn tijd gangbaar was, vooral uit naar meer uitgewerkte tekeningen. Dit corpus van ruim 130 stukken werd in de jaren dertig door de toenmalige conservator van museum Fodor, Van Regteren Altena, aangevuld met nog eens zestig exemplaren die hij vaak voor een prikje op de kop wist te tikken. In 1975 kwam de collectie in het bezit van het Amsterdams Historisch Museum en begon men met het ontsluiten ervan.

Tot nu toe werden er, op grond van wetenschappelijk onderzoek, drie tentoonstellingen gemaakt waarin onder meer Italiaanse tekeningen en schetsen van Rembrandt aan de orde kwamen. De huidige expositie, Hollandse Meesters uit de Gouden Eeuw, biedt tekeningen van heel uiteenlopende kunstenaars waardoor je een waaier van genres, technieken en werkwijzen te zien krijgt. De wetenschappelijke catalogus gaat bovendien in op interessante kwesties als toeschrijvingsproblemen, latere toevoegingen door andere kunstenaars en wat geliefd was in de zeventiende eeuw en direct voor de verkoop werd gemaakt. Jammer is alleen dat de manier waarop de meestal kleine stukken worden getoond, nogal liefdeloos is. Als ansichtkaarten en posters in een tienerkamer zijn ze met weinig gevoel voor schoonheid tegen de neergepote wandjes gehangen.

Auteursrecht

De meest anekdotische tekeningen zijn de scènes uit het dagelijks leven, bijvoorbeeld de feestende boeren van Adriaen van Ostade. Als tafereel lijken ze erg op de welbekende schilderijen, het zijn genrestukken in miniatuur. Leuker vind ik de detailtekeningen, bijvoorbeeld van een aandoenlijk middelbaar paar dat in innige omhelzing ronddanst. Aan drie tekeningen van een zittende boer door Isack van Ostade zit een bijzonder verhaal vast. Na zijn dood kwamen ze in handen van zijn trouwste leerling, Cornelis Dusart, die de schetsen 'verfraaide'. Hij zette de contourlijnen aan en 'waste' de inkt zodat de figuren bruin ingekleurd werden. Zo kregen Van Ostade's tekeningen een heel ander aanzicht en handschrift dan ze oorspronkelijk hadden. Aan 'auteursrecht' werd vroeger niet zwaar getild.

Dat blijkt ook uit de houding van een grote achttiende-eeuwse verzamelaar, de houthandelaar Cornelis Ploos van Amstel. Van Gerard Dou, die tot in de negentiende eeuw beschouwd werd als één van de belangrijkste kunstenaars uit de Gouden Eeuw, zijn vreemd genoeg bijna geen tekeningen overgeleverd. (Overigens kennen we van Frans Hals, Johannes Vermeer en Jan Steen zelfs geen enkele studie of schets). Dergelijke hiaten lokken vervalsingen uit, want allicht duikt er ineens toch een zeldzaam exemplaar op en wie zou dat niet willen bezitten? Toen Ploos van Amstel een prachtige, niet helemaal voltooide tekening van een zingend meisje in handen kreeg, was de verleiding groot dit bijzondere stuk toe te schrijven aan Dou.

Hij maakte een facsimile in druk van deze tekening, maar liet onder de handen van het meisje, waarmee ze op de oorspronkelijke tekening in de lucht de maat lijkt te slaan, een clavecimbel schetsen. In de bovenhoek van de prent liet hij het zelfbedachte monogram GD zetten. Op de tentoonstelling hangt de eigenlijke studie, die inmiddels is toegeschreven aan de Haarlemse schilder Jan de Bray. De facsimile is opgeborgen in het prentenkabinet van het museum. Op de achterzijde is wel het wapen van Ploos van Amstel afgedrukt, waarmee hij zich kenbaar maakt als vervaardiger van de prent.

Een zingend meisje vind ik de mooiste tekening van alle tweehonderd op de expositie. Het gezichtje is naar ons toe gedraaid maar aan de ogen zie je dat het meisje niet aan ons denkt maar aan de muziek. Ze kijkt niet, ze luistert. De met rood krijt aangezette jurk verleent haar geconcentreerde gezichtsuitdrukking nog meer intensiteit.

Portfolio

Ook onvoltooide tekeningen werden in de zeventiende eeuw wel degelijk gewaardeerd, maar bleven vaak verborgen in een portfolio, zowel bij de kunstenaar die studiemateriaal van collega's verzamelde als bij de collectioneur. Het waarderen impliceerde nog niet het exposeren als zelfstandig kunstwerk.

Een voorbeeld van een tekening die waarschijnlijk wel aan de muur heeft gehangen, is het door Jan van Somer gemaakte portet van de apotheker Sybrand Feitama die behalve handelaar in 'vreemde Droogerij' ook kunstverzamelaar en dichter was. Portretten in krijt, vaak in zwart-wit en op perkament, werden vooral door de hogere burgerij besteld en op een plaats in huis opgehangen waar gewoonlijk het geschilderde portret prijkte.

Schepen en water waren indertijd ook geliefde thema's en men mag aannemen dat veel ervan rechtstreeks voor de verkoop werd gemaakt; in de collectie Fodor is vooral Ludolf Bakhuysen goed vertegenwoordigd, onder meer met een gezichten op het IJ en het kalefateren van een oorlogsschip. Herman Saftlevens pentekeningen zijn zó gedetailleerd dat niet alleen de tuigage nauwkeurig is weergegeven, maar je zelfs een brandend komfoortje op het dek kunt onderscheiden waaraan de bemanning zich warmt. Philips Wouwermans IJsvermaak en Allaert van Everdingens De twaalf maanden zijn, hoe vaardig ook, van die oerhollandse taferelen die zowel in de zeventiende als in de negentiende eeuw kennelijk hoog gewaardeerd werden maar die je nu met Anton Pieck associeert.

Slapende hond

De eenvoudige, meer geserreerde portrettekeningen en de ijle stadsgezichten zoals Constantijn Huygens' Gezicht op Leidschendam, zijn bij mij toch favoriet. De vaak minutieuze dierstudies die naderhand gebruikt werden in landschappen of pastorales zijn eerder curieus, vooral als het exotische dieren betreft die er wat onhandig uitzien. Ontroerend zijn wel de alledaagse dieren zoals een slapende hond of een hond die zijn kop optilt en ons trouwhartig aankijkt.

Misschien onder invloed van het oplevend realisme in de schilderkunst merk ik dat ik de voltooide tekeningen met een welwillender oog bekijk dan vroeger. Eén van de bijdragen die ik het aardigst vind, is zelfs de meest anekdotische van de tentoonstelling. Het is een precieze weergave van een brand in een Amsterdamse zeepziederij. Jan van der Heyden, de tekenaar, publiceerde in 1690 als 'generale brandmeester der stadt Amsterdam' een boek over zijn uitvinding, de slangenbrandspuit. Na het uitbranden van het stadhuis op de Dam in 1652 moet dat zeer tot de verbeelding van de Amsterdammers hebben gesproken. Om het publiek te overtuigen van de revolutionaire vermogens van zijn brandblusmethode, beeldde Van der Heyden allerlei spectaculaire branden en de wijze waarop ze bestreden werden uit. De nogal komisch-illustratieve schets op de expositie is één van de weinige drama's tussen de meestal serene gezichten en vergezichten.