Woorden zijn zo mooi in boeken

Francis Dannemark werd in 1955 geboren in Macquenoise (provincie Henegouwen). Hij publiceerde een twintigtal dichtbundels en zeven romans (bij Robert Laffont, Parijs), waaronder 'Mémoires d'un ange maladroit' (Nederlandse vertaling bij Manteau) en, onlangs, 'La longue promenade avec un cheval mort' (Prix Vialatte 1993)

De Franse grens was op vijf minuten lopen, in het bos, achter een weiland. Maar mijn moeder had wel iets anders dan wandelen in haar hoofd, dus ik werd aan de Belgische kant van het bos geboren. Als mijn moeder niet had willen bevallen in het huis van haar ouders, maar het dorp van mijn vader had gekozen, dan was ik bijna op Duits grondgebied ter wereld gekomen, ergens in de buurt van Aken waar de Belgen Duits spreken. Bij ons thuis wordt er dus Waals, Duits en Frans gesproken.

Ik woon mijn leven lang al in Brussel, waar je zoveel verschillende talen hoort. In een dergelijke situatie word je misschien schrijver zoals een ander in een noodtoestand zijn heil zoekt in een ambassade of een bibliotheek, omdat buiten iedereen praat, maar niemand elkaar nog verstaat. Het vaderland van schrijvers is, dat is bekend, een vreemde plek. Soms denk ik dat een taal je vreemd moet zijn om je haar, al schrijvend, eigen te willen maken. Woorden zijn mij in ieder geval altijd vreemd voorgekomen. Boeiend, raadselachtig en opstandig. Aardig ook, vol charme en zo mooi in boeken. Het vaderland van de schrijver is een boek of een gedicht.

Ik ben nu achtendertig. Op mijn twaalfde schreef ik de eerste drie bladzijden van een roman en daar bleef het toen bij; vier jaar later ben ik met dichten begonnen en dat doe ik nog steeds. Sinds een jaar of twaalf schrijf ik ook romans. Ik ben dus een schrijver. Dat is iets wat mij nu vrij gemakkelijk over de lippen komt: ik ben schrijver. Jarenlang was ik volstrekt niet in staat mezelf voor te houden dat ik iemand was die schreef. De redenen voor dit probleem zijn talrijk en ingewikkeld en grotendeels niet meer van belang. Eigenlijk heb ik me pas vrij laat afgevraagd hoe het was om een Franstalige Belgische schrijver te zijn. Gewoon schrijver zijn was voor mij heel lang een probleem dat alle andere vragen naar de achtergrond drong.

Dat neemt niet weg dat deze vragen bestaan. En de eerste is wel: kan iemand schrijver zijn in een land dat zijn eigen literatuur verwaarloost? Op school, aan de universiteit worden alleen Franse auteurs gelezen. Sinds een jaar of tien is daar heel geleidelijk verandering in gekomen en misschien beseffen de mensen nu vaker dat er ook Belgische auteurs bestaan. Maar wie zou er op de man af vijf kunnen noemen? Toen ik tegen het eind van de jaren zeventig mijn eerste boek publiceerde, voelde ik me net een marsmannetje. Zelfs nu nog, wanneer ik door een school word uitgenodigd om een praatje te houden, kijken de leerlingen oprecht verbaasd naar de schrijver die in levenden lijve voor hen staat en nog Belgisch blijkt te zijn ook! Het toppunt van wonderbaarlijkheid.

België is een land van handelaren en boeren. Elke vorm van cultuur is er verdacht. Kunstenaars zijn nutteloze wezens. De prijs voor een cultuurprodukt is altijd te hoog en mocht het ooit voorkomen dat het gratis is, dan wordt dit alleen maar beschouwd als een bijkomend bewijs voor de waardeloosheid ervan. Tijdens de recente stakingen in het onderwijs kon je bijna overal en vooral op auto's een spreuk van Abraham Lincoln lezen: 'Wie het onderwijs te duur vindt, moet het eens proberen met onwetendheid.' Voor België zou men de volgende variant kunnen voorstellen: 'Wie cultuur te duur vindt, moet het eens proberen met barbarij.' Natuurlijk zullen genoeg mensen zeggen dat deze leus op veel meer landen van toepassing is. Maar wie schrijft en in België woont kan het niet nalaten om aan Frankrijk te denken, de culturele reus die toevallig ook onze buurman is.

Een paar dagen geleden was ik in Parijs voor de uitreiking van een literaire prijs. Zoals de meeste Franstalige Belgische auteurs heb ik een Franse uitgever. Op de flappen van mijn boeken staat dat ik in België ben geboren en in Brussel woon, toch kijken veel mensen nog steeds verbaasd op wanneer ze mijn nationaliteit vernemen: in Frankrijk nemen ze meteen aan dat ik een Franse schrijver ben die op het goede idee is gekomen om me in een naburige hoofdstad te vestigen, niet te ver weg en toch zo veel rustiger dan Parijs.

Het is makkelijk om een Belgische auteur in Frankrijk te zijn. Toen mijn vrouw hem vroeg welk onderscheid er werd gemaakt tussen Belgische en Franse auteurs, antwoordde mijn uitgever bij Robert Laffont langs zijn neus weg dat er maar twee soorten schrijvers zijn: zij die in het Frans schrijven en zij die vertaald moeten worden. Literair België is in feite gewoon een Franse provincie. En per slot van rekening zit ik dichter bij Parijs dan mijn vrienden in Bordeaux of Marseille.

Een schrijver kan in dit land twee dingen doen: zich als auteur tekortgedaan voelen of zich erover verheugen dat hij tot twee werelden behoort. Wie twee huizen heeft, verliest zijn zinnen, zegt het spreekwoord en het is misschien niet altijd makkelijk om zowel hier als elders te zijn. Voor mij zijn de boeken die hij schrijft het eerste vaderland van een schrijver en dus hecht ik weinig belang aan dit soort territoriale debatten. Ik hou van de landschappen van dit land van handelaren waar het toeval mij het levenslicht heeft laten zien, zoals ik hou van de nabijheid van Frankrijk, waar een boek schrijven nooit een daad zonder belang is.

Voordat ik een punt zet achter de omzwervingen van mijn gedachten, wil ik enkele hedendaagse Belgische auteurs groeten: Xavier Deutsch (Hongaars van vaderszijde), Philippe Blasband (geboren in Teheran), Jean-Pierre Verheggen (de meest Waalse dichter met een Vlaamse naam), William Cliff, die in de pers soms nog voor Amerikaans wordt versleten, Nicole Malinconi en Carino Bucciarelli, en Eugène Savitzkaya (van Poolse vader en Russische moeder).

    • Vertaling Edith Klapwijk
    • Francis Dannemark