Wiegedood

Haar eerste begrafenis in deze gemeente was die van een jongetje van een paar maanden. Ze had hem zelf gedoopt.

Het was op zondagmorgen, na de dienst. De scriba kwam het zeggen. Nini sprong op haar fiets, erheen. En huilen. Want de dood kan een voltooid leven mooi afronden, maar zo'n kindje nog...

“Ik ben”, zegt ze, “daar voorgegaan in gebed. Ik moest steeds vreselijk huilen. Ik was bang dat ik zo moest huilen, dat ik niet uit mijn woorden zou kunnen komen. En dan vind ik dat je gefaald hebt. Die mensen ook, ze hebben er niets aan als jij méé ten onder gaat.”

In die dagen, tussen overlijden en begrafenis, steeds naar ze toe. En als je weer thuiskomt, gauw naar je eigen kindertjes, die lekker warm in bed liggen. Dat gevoel van geluk, èn het gevoel dat je een schoft bent.

“Toen”, zegt ze, “was het net of Jezus tegen me zei: hou nou eens op met dat gehuil. Het klonk, voor Jezus!, nogal streng en dat was heel heilzaam.”

Je recht je rug, je bent de dominee, je hebt het ambt, een afgesproken rol, een beproefde tekst, het Onze Vader.

In het kerkje staat een kandelaar, die haar werd aangeboden door de plaatselijke pastoor; het dorp is eigenlijk katholiek. Elke dienst wordt een kaars ontstoken. “Jezus Christus is het licht der wereld, een licht dat geen duisternis doven kan.”

Ook toen dat jongetje begraven werd.

    • Koos van Zomeren