Wees blij dat de mens niet uniek is

Is het nu klonen of kloneren? De kranten gebruiken beide woorden in dezelfde betekenis en ook de Van Dale geeft geen uitsluitsel over mogelijk verschil. Laten wij het daarom voor het gemak op klonen houden.

Als ik de discussie goed begrepen heb, is het ethisch verantwoord koeien te klonen ten einde ze later te slachten en op te eten, maar kan het moreel beslist niet door de beugel om een menselijke kloon volwaardig te laten leven. De ethici vinden het zelfs verwerpelijk, wanneer zo'n gekloond embryo zeer gewenst is en door zijn of haar ouders liefderijk zal worden ontvangen.

Rare jongens, die ethici.

Arthur Caplan, directeur van een instituut dat het Centre for Bioethics heet, noemde als grootste bezwaar tegen het klonen van menselijk embryo's dat “de techniek kennelijk zo makkelijk is”. Je proeft in dit commentaar iets van teleurstelling. Dat konijnen, honden en koeien gekloond kunnen worden, is nog daar aan toe - maar de mens! Hadden wij niet met zijn allen afgesproken dat de mens uniek is, onvervangbaar en te ingewikkeld om helemaal te doorgronden? De grootste prestatie van God onze Schepper komt in een heel ander daglicht te staan als de eerste de beste louche onderzoeker in een simpele droogtrommel ook een menselijk wezen kan creëren.

Hebben ethici ooit een technische ontwikkeling kunnen tegenhouden? Bolland was tegen de fiets en de Paus is tegen de pil. Toch fietsen katholieke vrouwen naar hun werk met de pil in hun handtasje. Wat technisch kan, zal eens ook worden uitgevoerd, misschien niet vandaag of morgen, maar wel over twintig of over honderd jaar. Daarom zou een zeker opportunisme ons leven minder zorgwekkend, ja zelfs aangenamer, maken. Nieuwe perspectieven gaan voor ons open, wanneer wij aanvaarden wat de mens ook in werkelijkheid is, namelijk een machine waaraan het een en ander te veranderen en te verbeteren valt. Om de variëren op het devies van Jaap van Heerden: wees blij dat de mens niet uniek is.

De eerste vraag die wij ons moeten stellen luidt: is het zo erg wanneer er genetisch identieke baby's ter wereld komen? Wij denken daarbij onmiddellijk aan twee Hitlers, of aan een gehoorzaam legertje van menselijke robotten, maar zo hoeft het helemaal niet te gaan. Er zijn ook hele andere mogelijkheden. Probeert u zich, in plaats van twee Hitlers, nu eens twee Mulischen of twee Nootebomen voor te stellen. Toegegeven, in dat geval wordt Nederland wel erg klein, maar aan de andere kant zouden er n=g meer mooie romans worden geschreven en dat zou een zegen zijn voor de Nederlandse literatuur. Twee Arie van der Zwans zouden onze economie weer op poten kunnen zetten en twee Piet Borsten zouden kunnen zorgen voor een doorbraak in het kankeronderzoek. Twee Loe de Jongs of twee Adriaan Venema's, dat zou ook aardig zijn, want dan blijft de herinnering aan de Oorlog tenminste levend.

Er ligt hier een terrein braak voor allerlei interessante experimenten, die meer inzicht kunnen geven in de relatie tussen erfelijkheid en milieu. Hoe identiek de klonen ook zijn, zij zullen nooit helemaal gelijk opgroeien. De ene Mulisch ontwikkelt zich tot een groot schrijver, terwijl het goed denkbaar is dat de andere Mulisch totaal mislukt en terecht komt in een inrichting. Vele varianten komen in aanmerking. Stel, dat wij beschikken over verschillende klonen van W.F. Hermans. Wij weten hoe de W.F. Hermans zich heeft ontwikkeld, die in 1921 is geboren. Maar hoe zou het zijn gegaan met de W.F. Hermans die in 1951 of in 1991 was uitgebroed?

Het klonen zou ons ook de mogelijkheid geven op de een of andere manier contact te houden met de doden. Het is een cliché om van de gestorvenen te zeggen dat zij onvervangbaar zijn, maar soms is het waar. Zo verlang ik er naar om weer eens een avond te bridgen of te schaken met J.H. Donner, en ook met een jongere uitvoering zou ik dik tevreden zijn. Sterker nog, een 36-jarige Hein Donner zou ik nog graag willen ontmoeten, ook al zou hij niet dezelfde zijn die in 1963 het Hoogoventoernooi heeft gewonnen.

Ik zou er niet voor terugschrikken het klonen ook in mijn eigen leven toe te laten. Zo zit het mij wel eens dwars dat ik twaalf jaar ouder ben dan mijn vrouw. “Als ik 60 ben ben jij pas 48”, zeg ik tegen haar, “dan ben ik een oude man en jij nog in de kracht van je leven”. Hoewel zij voorgeeft dat het leeftijdsverschil voor haar geen bezwaar is - zij beweert zelfs dat zij mij nog te jong vindt - mijmeren wij er wel eens over hoe ons leven zou zijn verlopen als wij elkaar veel eerder waren tegen gekomen. “Vijftien jaar eerder”, zegt ze, “allebei twintig, jij ook. Zouden wij dan ook verliefd op elkaar zijn geworden?” Ik zeg dat ik het antwoord op die rare vraag niet weet, en dat wij er pas achter zullen komen als zij een twaalf jaar jongere kloon van mij tegen het lijf loopt.

Een argument dat altijd tegen het klonen wordt ingebracht, is dat ouders niet het recht behoren te hebben om hun eigen kinderen te kiezen. Waarom eigenlijk niet? Zodra de baby geboren is, maken de ouders als alleenheersers de dienst uit. Zij kiezen de naam, de kleding, het voedsel en later ook de school waar het kind naar toegaat. Dat de keuze van een kind miljoenen jaren is verlopen volgens een goddelijke loterij, betekent nog niet dat wij ons daarbij voorgoed moeten neerleggen. Beter een gekloond kind met gelukkige ouders dan een ongekloond kind met ongelukkige ouders. Eigenlijk is de keus van een kind wel het laatste, waarbij je een gokje zou moeten wagen.

Het is verdomd jammer dat ik de tijd, waarin het klonen ingeburgerd zal zijn, niet meer kan meemaken.

    • Max Pam