Virtuoze vertelling van Jacqueline Harpman; Gevaarlijke liefde tussen broer en zus

Jacqueline Harpman: Le bonheur dans le crime. Uitg. Stock, 252 blz. Prijs ƒ 49,20.

De titel van Jacqueline Harpmans nieuwe roman, Le bonheur dans le crime, is ontleend aan een van de zwart romantische verhalen van Barbey d'Aurevilly (1808-1889). Bij wijze van motto begint het boek met een lang citaat uit het zelfde verhaal, waarin een oude arts verhaalt van het meest verbijsterende dat hij in zijn leven heeft aanschouwd, dat hem fascineert en angst aanjaagt, maar dat hij met geen mogelijkheid kan verklaren - het geluk in het kwaad, de geheimzinnige band tussen liefde en dood. Ook de raamvertellingstructuur van dit verhaal handhaaft Harpman in haar boek.

Nu is Jacqueline Harpman een moderne psychoanalytica uit Brussel en het zou dwaas zijn te veronderstellen dat we hier te maken hebben met een poging het negentiende-eeuwse decadent-romantische genre nieuw leven in te blazen. Wat haar interesseert is niet zo zeer 'het kwaad' als satanische macht, als wel de duistere kanten van de menselijke geest, de achterkant van het ogenschijnlijke. Als haar boek al met een traditioneel genre vergeleken moet worden, dan met de klassieke tragedie met haar eenheid van tijd, plaats en handeling, zij het zonder de katharsis van de fatale, maar bevrijdende ontknoping.

Het raam van het verhaal is in feite zelfs een dubbel raam. De eerste zin van het boek luidt: “Omdat hij van vertellen hield en zijn leven in een verhaal veranderde naarmate hij het leefde, vertelde hij het volgende: (-)” Dan volgt het verhaal van een priester-arts aan een passagier wiens identiteit nagenoeg tot het einde van het boek onduidelijk blijft, en met wie hij per auto op weg is naar de Opera in Gent. In de stromende regen komen ze muurvast te zitten in een gigantische verkeersopstopping in Brussel, voor een merkwaardig huis uit het begin van de eeuw, waarin nu een moderne, cleane artsenpraktijk is gevestigd.

Nu loopt het verhaal op twee niveaus verder. Enerzijds neemt de verteller als persoon en zijn relatie met zijn onbekende passagier steeds duidelijker vormen aan. De oudere man koestert blijkbaar een hartstochtelijke liefde voor zijn metgezel en ervaart voor het eerst van zijn leven de werkelijke, allesverzengende passie van de lichamelijke begeerte. Het verhaal van de verteller - de confidenties waarmee hij het professionele zwijggebod van zowel arts als priester doorbreekt - wordt zodoende een middel om zijn geliefde te verleiden en aan zich te binden.

kent het geheim van dit huis en de familie die het vroeger bewoonde. Het werd lang geleden gebouwd voor een excentrieke bankier en herbergt achter de muren en onder de vloeren een stelsel van geheime gangen en kamers, waardoor alle ruimtes niet alleen op gebruikelijke, maar ook op onverwachte manieren met elkaar in verbinding staan. De gruwelijke geschiedenis van de familie die het huis indertijd erfde nadat de bankier uit liefdesverdriet zelfmoord had gepleegd tijdens een groot feest, vormt de inhoud van de tweede lijn van het verhaal. In het grote huis woonden, op het moment dat de priester-arts in zijn kwaliteit van arts persoonlijk met de familie in aanraking kwam, Emma Dutilleul die ondanks ernstige ouderdomskwalen geestelijk niet klein te krijgen is, kleindochter Simone, haar man Philippe en hun vier kinderen. De twee oudste kinderen, Clément en Emma, lijken voorbeeldig, evenwichtig, intelligent en beeldschoon, maar leven letterlijk en figuurlijk een heel eigen, onrustbarend leven dat zich voornamelijk in de geheime gangen en onder de vloeren van het huis afspeelt. Als een tweeëenheid zijn ze met elkaar versmolten, ze vullen elkaar zo volmaakt aan dat ze verder niemand op de wereld nodig hebben. In hun onverstoorbaar incestueus geluk zaaien ze onbewust dood en verderf om zich heen. De vrouw die op Clément verliefd raakt, wordt tot waanzin gedreven, de man die zielsveel van Emma houdt, schiet zich een kogel door het hoofd als hij ontdekt dat ze hem nooit werkelijk zal liefhebben. Ook hun jongere zusje Delphine, die al vanaf haar geboorte haar woede en verdriet uitschreeuwt omdat ze zich eeuwig buitengesloten voelt, is niet bestand tegen het besef dat ze nooit aan het 'misdadige' geluk deel kan hebben. De jongere broer wendt zich definitief af van de wereld en zoekt zijn toevlucht in een trappistenklooster. Zelfs de oude Emma laat de moed varen en sterft. Kortom, het hele gezin valt definitief en onherstelbaar uiteen, behalve de twee onafscheidelijke geliefden die hun medicijnenstudie rustig voltooien en hun artsenpraktijk in het inmiddels door iedereen verlaten ouderlijk huis opzetten.

Het dubbelbeeld van hartstocht gekoppeld aan dood en verderf is een thema dat Harpman ook in eerdere romans al bezighield. Zo vernietigt in Het strand van Oostende - vorig jaar in een Nederlandse vertaling bij Thoth verschenen - de passie van Emilienne voor de schilder Léopold hun eigen leven en dat van iedereen om hen heen. Het nieuwe in deze laatste roman is echter de benadering van het thema. Kon Het strand van Oostende nog als een psychologische analyse van een allesverterende passie worden beschouwd, nu aarzelen we - voor wat het verhaal van de verteller betreft - tussen een case study, waarin de figuren geen invoelbare psychologie hebben, maar alleen symptomen vertonen, en een klassieke, door het noodlot bepaalde tragedie, waarin de personages staan voor algemene menselijke driften en neigingen. Dit kernverhaal is vervolgens weer vervat in het wel degelijk filosoferend en psychologiserend relaas van de actuele situatie van de verteller zelf. Harpman heeft een merkwaardig, maar fascinerend boek met een duizelingwekkend virtuoze constructie geschreven. De uitgesproken kunstmatigheid is in dit geval eerder een kwaliteit dan een mankement, omdat zij daarmee die beklemmende sfeer van vervreemding weet op te roepen die vertrouwde zaken opeens in een ander, angstaanjagend licht stellen zonder er een expliciete verklaring voor te geven. Een effect dat enigszins doet denken aan de vroege schilderijen van Carel Willink. En daarmee zijn we terug bij Barbey d'Aurevilly die zijn arts laat zeggen “ Een theorie zit hier niet in. Ik wil u niet van iets overtuigen (-) Het zijn alleen feiten die mij evenzeer hebben verbaasd als u.”