Vanavond gaan we gas geven; Op pad met het Rosenberg Trio, de erfgenamen van Django Rheinhardt

Vier jaar geleden handelde Nonnie nog in oud ijzer en waren Nous'che en Stochelo amateur-muzikanten. Nu spelen zij als The Rosenberg Trio zigeunerjazz in Carnegie Hall en worden ze bewonderd door Stéphane Grappelli en Jan Akkerman: “Deze jongens maken leuke muziek. Heel wat beter dan zo'n zeiker als Eric Clapton, dat is zeker.”

Het Rosenberg Trio treedt de komende maanden op diverse plaatsen in Nederland op. Deze week zijn er concerten in Waalwijk (31/10) en Assen (4/11). Inl. 01830-23155.

Achter het toneel van de Lochemse Schouwburg hangt een zakelijke mededeling voor de artiesten: 'Consumpties zijn voor eigen rekening en moeten bij de bar contant worden afgerekend.' Ook voor de rest is de sfeer weinig bemoedigend. Een kale gang geeft toegang tot kleedkamers die, volgens de traditie in dit soort theaters, zijn ingericht in spartaanse stijl. De enige aanwijzing dat hier over een half uur een voorstelling begint, is een kapstok met vurig gekleurde hemden. Ze behoren toe aan het Rosenberg Trio, drie leden van een muzikale zigeunerfamilie die bijna dagelijks een paar honderd Nederlanders onthalen op gipsy jazz.

Terwijl de muzikanten in een restaurant stamppot eten, staan op het donkere podium de standaards klaar met de contrabas van Nonnie (37) en, meer naar voren, de vier gitaren van zijn broer Nous'che (28) en zijn neef Stochelo (25). Een van deze vier is een recente aanwinst die het trio met trots vervult. Hij behoorde toe aan Django Reinhardt, de bewonderde Franse jazzgitarist die veertig jaar na zijn dood de musici tot voorbeeld dient. Mede op dit instrument, gebouwd bij Selmer in Frankrijk, ontwikkelde Reinhardt zijn bijzondere techniek: overcompensatie voor de gevolgen van een brand in een woonwagen, waarbij hij als kind twee vingers verloor. Na betaling van 85 gulden kwam de gitaar later in bezit van Ab Molenaar, lid van het vroegere ensemble de Millers, wiens weduwe hem dit jaar overdeed aan de Rosenbergs. Op de klankkast prijkt nog steeds de naam Django, een bron van inspiratie voor Stochelo die in 1989 op het jaarlijkse Reinhardt-festival werd uitgeroepen tot zijn opvolger. Sindsdien omschrijven kenners hem als een virtuoos, een grootmeester en zelfs als 'een wonderbaarlijk natuurverschijnsel' dat met zijn snarenspel een scala aan emoties oproept.

Ook deze avond is dat het geval. Een 'Portret van Django', gevolgd door een uitvoering van Les yeux noirs, verleidt het keurige Gelderse publiek al binnen twintig minuten tot een ovatie. Als een half uur nadien een flitsende versie van Sweet Georgia Brown de pauze inluidt, is de bijval oorverdovend. Met een tevreden lach wissen de Rosenbergs zich het voorhoofd af. “Voor ons is dit theater perfect,” zegt woordvoerder Nonnie, tot voor enkele jaren een handelaar in oud ijzer. “In nieuwe zalen met veel beton gaat het galmen. Ze proberen er soms wat aan te dokteren, maar veel maakt het niet uit. Met die moderniteit van tegenwoordig win je niks, hier heb je tenminste nog echt geluid.”

Als de muzikanten een ander overhemd aantrekken, maakt de directeur van de schouwburg zijn entree. Omzichtig vraagt hij of zij na afloop nog wat nummers willen spelen in de foyer, maar hun beleefde reactie geeft aan dat dit te ver gaat. “De mensen moesten eens weten hoe zwaar het artiestenleven is,” verzucht Nonnie als de bezoeker is vertrokken. “Vanmiddag moesten we al vroeg weg en straks is het nog twee uur rijden voor we thuis zijn. Muziek maken is mooi, maar als je niet oppast komt je familie er door tekort. Als ik 's morgens wakker word, is het eerste wat ik denk: over een paar uur al stap ik in de auto en zitten mijn vrouw en kinderen weer alleen. Ik bid God in de hemel dat ons leven daar niet aan kapot gaat.”

Stacaravans

Twee dagen later ontmoeten we elkaar opnieuw in Nuenen, de vaste standplaats van de Rosenbergs. De stacaravans van Nonnie en Nous'che bevinden zich op een kamp dat grenst aan een anti-slip school en een bos waar politiehonden worden afgericht; even verder wonen Stochelo en zijn jonge Franse vrouw. De opvallend ruime wagen van Nonnie, aan de rand van het terrein, ademt een sfeer van geborgenheid. Het woongedeelte is voorzien van twee uitnodigende banken, waarvan het bloemenmotief harmonieert met Perzische tapijten en beelden van herderspaartjes. De entourage doet niet onder voor die van een behoorlijk huis, merkt hij op. Toch knaagt soms het heimwee naar de tijd dat zijn ouders met hun kinderen in een woonwagen het land doorkruisten.

“Van nature zijn wij een rondreizend volk, dat gevoel blijft bij je. Ik weet nog hoe we van de ene plaats naar de andere trokken, van Limburg naar het noorden en vandaar weer naar Brabant. Ze noemen het een armoedige tijd, maar als je mij vraagt was hij beter dan de onze. Op de doorreiskampen heerste een goede sfeer, je legde er contacten met andere zigeuners en iedereen hielp elkaar. Overdag waren de ouderen bezig met venten, paarden verhandelen of scharen slijpen en in de avond zat men gemoedelijk bijeen. Aan het eind van de jaren zestig is dat allemaal veranderd. Het reizen werd steeds moeilijker, de meeste gemeenten hadden liever niet meer dat we ergens kwamen staan. Misschien kwam het doordat sommigen rommel achterlieten, misschien ook waren er andere redenen, een feit is dat de wagens verplicht werden vastgezet. Velen waren daar niet blij mee, maar een uitweg was er niet. Gelukkig blijven mensen, wat er ook gebeurt, wie zij zijn.”

Een bewijs hiervoor is het belang dat ook Nederlandse zigeuners nog altijd hechten aan muziek. “Het is onvoorstelbaar hoe muzikaal de meesten van ons zijn,” vindt Nonnie Rosenberg. “Wij leven met muziek, het zit ons in het bloed. Van de honderd mensen bespelen er 98 een instrument, zo was het vroeger en zo is het ook nu nog. Zolang ik leef heb ik muziek gehoord, een dag zonder kan ik me niet herinneren. Mijn vader zat met zes neven in een Balkan-orkest, waarvoor hij dag in dag uit aan het oefenen was - meestal op zijn gitaar met Django-model, soms ook op zijn viool. Man, dat was zo mooi! Urenlang luisterde ik naar hem en zodra hij ophield zat ik voor de grammofoon of de radio, zo'n oude kast met een groen katteoog. Iets anders bestond er voor mij niet.”

Als jongen wilde Nonnie flamenco-gitarist worden, maar op aandrang van de familie ging hij over op de bas. “In het begin vond ik het een raar gevaarte, maar al snel kon ik hem niet meer uit mijn leven wegdenken. Elke zondag speelde ik als lid van ons familieorkest mijn partij mee bij de Pinkstergemeente. Uit eerbied voor mijn vader hield ik me aan de kerkelijke klank, wij musiceerden daar in die kerk alleen voor God. De stijl veranderde toen na een tijdje onze Nous'che en Stochelo erbij kwamen. Samen toverden we de bekende liederen om tot iets nieuws, tot tintelende muziek die de mensen een gevoel gaf van blijdschap. Al doende merkten wij dat we met z'n drieën vanzelf een eenheid vormen: zo gauw we spelen horen we bij elkaar als de vingers van één hand.”

Prulleke

Een half uur voor ze moeten vertrekken naar Zaandam komt Stochelo binnen, de twaalf jaar jongere neef die na zijn geboorte door Nonnie 'als een prulleke' op de arm werd rondgedragen. De familieband is altijd hecht geweest, beaamt Stochelo, al voegt hij er meteen aan toe dat ook andere muzikanten een rol speelden in zijn leven. In de tijd dat hij als twaalfjarige een gouden stuiver won in het tv-programma Stuif-es-in, trad hij regelmatig op met drie leeftijdgenoten. Onder de naam Manouche bracht het kwartet voor de lokale omroep 'zigeunerjazz' in een stijl die was ontleend aan Django Reinhardts Hot Club de France. Ook lieten de vier zich horen in cafés en op feesten in België, waar de regels voor kinderarbeid soepeler waren dan in Nederland. Het succes was zo groot dat de jongens een platencontract kregen aangeboden. “Op een dag kwam bij ons een grote Amerikaanse auto voorrijden”, herinnert Stochelo zich. “Achter het stuur zat een man die er met zijn gouden armbanden en ringen erg chic uitzag. Dat wekte de achterdocht van mijn ouders, ze wilden niet dat ik een contract bij hem tekende. Dat was misschien maar goed ook, want een tijdje later kwam het bericht dat onze bezoeker was vermoord. Intussen had ik al besloten nog maar even buiten de artiestenwereld te blijven.”

De jaren die volgden beperkte Stochelo zich als muzikant tot de eigen kring. Samen met Nous'che en Nonnie trad hij voornamelijk op in de kerk van het naburige Gerwen, waar de eredienst een steeds swingender karakter kreeg. Een ommekeer vormde in 1989 een optreden tijdens het jaarlijkse festival voor zigeunermusici in Samois-sur-Seine, het bedevaartsoord voor volgelingen van Django Reinhardt. Samen met Nous'che speelde de nog onbekende Stochelo daar voor ervaren collega's die hem, naar werd gemeld, als Django's opvolger beschouwden. “Zelf is hij te bescheiden om daarover te praten,” stelt Nonnie. “Zijn spel is abnormaal helder en snel, maar van vergelijkingen met Reinhardt moet hij niets hebben. Dat begrijp ik wel: hoe wil je jezelf meten met iemand die wij altijd hebben gezien als onze leermeester?”

Na het onverwachte Franse succes volgden de ontwikkelingen elkaar snel op. Het Rosenberg Trio maakte de cd's Seresta, Impressions en Gipsy Summer (bekroond met een Edison), verzorgde in Carré het voorprogramma van Shirley Bassey, bracht Ahoy' in de stemming voor Luciano Pavarotti en trad enkele malen op tijdens het Northsea Jazz Festival. Een vierde cd, een registratie van een festivalconcert met nummers van Chick Corea, Sonny Rollins en Dizzy Gillespie, staat te boek als de beste tot nu toe. Inmiddels wordt Stochelo in kranten aangeduid als de populairste jazzmusicus van Nederland.

Meer waarde dan aan dit alles hechten de Rosenbergs aan hun samenwerking met Stéphane Grappelli, de 85-jarige violist die met Django Reinhardt de basis legde voor de Hot Club de France. “Grappelli en wij kennen elkaar sinds 1991,” vertelt Nonnie, zijn bas naar een Mercedes torsend. “Net als hij traden we toen in Montreal op in een zaal met vijfduizend man. Aan zoiets waren wij niet gewend. 'Verdomme jongens', zeiden we tegen elkaar in de taxi, 'hoe moet dat straks met ons drieën op zo'n groot podium? Wat doen wij in een land waar niemand van ons heeft gehoord?' Maar we gaven alles en hadden mazzel: de mensen reageerden alsof ze oude bekenden voor zich zagen. Tijdens ons optreden was Grappelli zijn kleedkamer uitgelopen. 'Ik zag het meteen, jullie zijn Gitanes!' riep hij na afloop uit. Hij noemde ons zijn kinderen en zei dat we met hem moesten spelen op een concert in Amsterdam. Dat was, een paar weken later, een buitengewone ervaring: als een stramme oude man kwam hij het Concertgebouw binnen, maar eenmaal op het podium was hij een jonge god die ongelooflijke klanken uit zijn instrument haalde.”

Napels

Stéphane Grappelli en The Rosenberg Trio, zoals het ensemble zich inmiddels had herdoopt, bundelden hun krachten nog verschillende malen in Duitsland en de Verenigde Staten. Bij een gezamenlijk concert in Napels kwam Nonnie Rosenberg niet opdagen, maar daarvan had hij al gauw spijt. “'s Anderendaags belde Stéphane mij al vroeg op. 'Hoe kon je zo dom zijn thuis te blijven?' vroeg hij verwijtend. 'Je weet toch hoe mooi wij samen spelen?' Meer dan ooit merkte ik toen hoe groot mijn ontzag voor hem is. 'Zoiets zal niet meer voorvallen', zei ik op een toon alsof ik mijn vader voor me had.” Het spreekt dan ook vanzelf, voegt hij eraan toe, dat geen van de drie ontbrak toen zij in juli van dit jaar met Grappelli optraden in de Newyorkse Carnegie Hall: een voorlopig hoogtepunt in hun carrière.

Even na vier uur arriveren de twee Mercedessen van de Rosenbergs bij De Speeldoos te Zaandam, het theater waar zij deze avond het elfde uit een reeks van zeventig concerten geven. Ditmaal krijgt het trio versterking van zanger en slagwerker Eddie Conard, een 37-jarige Amerikaan die trots meldt sinds kort grootvader te zijn. Als de meereizende technici de 91 lichtstanden hebben ingesteld, is het tijd voor een geluidstest. Terwijl het podium een sopje krijgt, installeren de musici hun instrumenten die zij - een brandende sigaret tussen de snaren klemmend - vervolgens op elkaar afstemmen.

Nu en dan voert Nonnie met Nous'che en Stochelo langdurige gesprekken die voor de anderen niet zijn te volgen. “Als afstammelingen van Sinthi-zigeuners spreken wij onderling onze eigen taal,” legt Nonnie later uit. “Er zitten veel Duitse maar ook Franse en zelfs oosterse woorden in. Een Indiase taxichauffeur in New York reageerde van de zomer stomverbaasd toen hij ons hoorde praten. Allerlei woorden kwamen hem bekend voor: hij wist dat we met chhuri een mes bedoelden en met pani water. En toen iemand van ons naak zei, wees hij meteen op zijn neus. Aan die taal, aan onze houding en onze gewoonten merk je dat wij een andere achtergrond hebben dan de meeste mensen. Soms kijkt men daar nog vreemd tegenaan. Een mevrouw die pas na een optreden een praatje kwam maken, was van haar stuk toen ze hoorde dat wij zigeuners zijn. 'Ik ga even een glaasje halen,' zei ze gauw. Ik heb haar die avond niet meer gezien. Zo iemand vindt misschien dat wij een raar leven leiden. 'Waarom willen jullie per se in een wagen wonen?' vragen ze weleens. Dan stel ik meteen een volgende vraag: Waarom moet het voor jullie per se een huis van steen zijn?”

Op weg naar een restaurant wijst Nonnie op de verlichte vensters van een woning waar een gezin zich om de tafel schaart. “Hier leven de mensen nog in harmonie”, zegt hij goedkeurend. “Dat is langzamerhand iets bijzonders, overal in de Randstad draait de mallemolen op volle toeren. Maar als op een dag de middenas breekt, houden we alleen een puinhoop over. Dan kunnen we ons afvragen waar de vooruitgang toe diende.” Als we na enige moeite ten slotte een snackbar hebben gevonden, denkt hij op de barkruk terug aan vroeger. “Ik zie het nog voor me: terwijl mijn ouders geld verdienden met appels plukken, speelde ik in de boomgaard. De zon scheen en de mensen van het dorp zaten op bankjes buiten; niemand had haast, er was nog tijd om te leven. Dat lijkt nu lang geleden.” De bezoekers naast hem eten zwijgend een broodje. Even verder beproeven Nous'che en Stochelo, in afwachting van de bestelde erwtensoep en patat oorlog, hun geluk op een flipperkast. Hoewel de Random Runner vijf 'winlijnen' telt, is het succes beperkt.

Stofjas

Om half acht staan we voor de hermetisch gesloten artiesteningang; een opschrift bij een gat in de deurpost geeft aan dat alleen muizen vrij in en uit kunnen. Nadat enkele minuten lang op de bel is gedrukt, verschijnt een man in een stofjas. “Ik hoorde zo'n lawaai, dat moesten wel artiesten zijn,” zegt hij.

In de kleedkamer doet het bericht de ronde dat gitarist Jan Akkerman, lange tijd bekend als de beste gitarist ter wereld, vanavond in de zaal zit. Het nieuws wekt enige opwinding, maar Nous'che verzekert dat alles onder controle is. “In het begin was dat nog anders. Bij het zien van een volle zaal in Den Haag was ik eens misselijk van angst, ik wilde meteen naar huis. Nu ben ik daar overheen: hoeveel mensen er ook aanwezig zijn, het loopt altijd vloeiend.” Toch is de ene avond minder dan de andere, vindt Stochelo. “Soms wil je wel maar komt het er niet uit. Dan mis je net de power en ga je zweten, heel erg is dat.” Maar nu is daar geen sprake van, weet Nous'che. “Vanavond gaan we gas geven”, stelt hij als ze naar het podium lopen.

Het zijn geen loze woorden: de meeslepende swing van de Rosenbergs veroorzaakt in de zaal een sfeer van opwinding, die Stochelo tot ongekende hoogten voert. Dat blijkt ook als hij zich, volgens afspraak, even tot het publiek richt. “Hij zegt een paar woorden extra,” fluistert zijn manager Mirande Voskuylen verrast, “wat ben ik trots! Nog maar kort geleden was hij zo verlegen dat hij nauwelijks iets uit kon brengen. 'Dames en mensen...eh heren,' zei hij steeds, elke keer ging het fout. Van de ellende kon hij 's nachts niet slapen. En moet je hem nu 's horen.”

Vooraf gegaan door een zakelijk begeleider maakt in de pauze Jan Akkerman zijn opwachting. Stochelo en zijn befaamde collega kennen elkaar niet, maar het ijs is snel gebroken. Akkerman, onlangs hersteld van een ernstig auto-ongeluk, betast Django Reinhardts gitaar, noemt de naam van een goede restaurateur en laat weten dat een muzikant in Nederland beter af is dan in Duitsland waar jongeren soms 'met de kont naar het podium' staan. Na een paar loopjes op de gitaar zegt hij toe aan het slot een nummer mee te spelen.

Drie kwartier later maakt Nous'che zijn plaats vrij voor de gast die, de hals gesierd door een brede gouden ketting, enkele minuten lang met Nonnie en Stochelo Minor Blues ten beste geeft. Als het applaus is verstorven toont hij zich content. “Deze jongens maken leuke muziek,” stelt hij vast. “Heel wat beter dan zo'n zeiker als Eric Clapton, dat is zeker.”

Terug in de kleedkamer gaat de aandacht uit naar zijn compagnon, wiens hoofd is uitgerust met een head-set plus kleine microfoon. Terwijl de Rosenbergs luisteren naar de opname die hij in de zaal maakte, komen zijn plannen ter sprake voor Akkermans 'herlancering'. Dat gaat in Italië gebeuren via een speciale Italia-Olanda Connection, zo vertelt hij ieder die het horen wil. Misschien wordt Berlusconi erbij ingeschakeld, en anders wel Sony of Philips.

Een eindje verder zit Stochelo gebukt voor de speaker. “Hij verkeert in de hemel,” weet Nonnie.

    • Paul Hellmann