Uit de tijd dat de bijen nog niet spraken; Maurice Maeterlinck over onze kleine medeburgers

Maurice Maeterlinck schreef in het Frans en kreeg als enige Belg de Nobelprijs voor literatuur. Romans schreef hij niet, in zijn toneelstukken gebeurt niets en zijn poëzie wemelt van de uitroeptekens. Wat maakt hem desondanks de moeite waard?

Hij is nog geen achtentwintig jaar oud als Octave Mirbeau hem in le Figaro een tweede Shakespeare noemt. Van zijn eerste essaybundel, De Schat der Armen, verschijnen zeven drukken achtereen en hij wordt vertaald tot in Japan en Finland. In 1899, hij is 37 jaar oud, verschijnen in Duitsland zijn Gesammelte Werke. Hoewel hij vaak tegen België schrijft, zich gehaat maakt bij de Vlamingen, geld stuurt naar stakende arbeiders, verheft de Belgische koning de Beroemde Zoon tot graaf en de Vrije Universiteit van Brussel tot eredokter. Hij zou in de Académie Française kunnen, maar weigert zijn Belgischdom op te geven. Regisseurs vechten om zijn stukken: Reinhardt in Berlijn, Meyerhold in Sint Petersburg, Stanislavski in Moskou. Hij inspireert componisten als Fauré, Debussy en Schoenberg. Hij woont in paleizen, abdijen en kastelen, eerst twintig jaar met de ene beeldschone actrice daarna dertig jaar met de andere. In 1911 krijgt hij de Nobelprijs voor literatuur en even later die andere eer: het Vaticaan zet hem op de index van verboden boeken.

Niet gek voor een Belg. En toch is Maurice Maeterlinck (Gent 1862 - Nice 1949) een raadsel. Niemand leest meer zijn gedichten en betogen. Zijn toneelstukken worden nooit meer opgevoerd, tenzij als opera.

Wie in de Nederlandse taal over Maeterlinck schrijft, kan niet voorbij gaan aan de harde dingen die hij over de taal van zijn geboortestad heeft gezegd. In Gent was Vlaams de taal van het personeel. Niet van de rijke familie die aan de zoon een Franstalige opvoeding gaf. Maar Maurice vertaalde Ruusbroec en bewerkte Beatrijs. Hij bleef de Nederlandse boeken lezen van zijn jeugdvriend Cyriel Buysse en als hij in 1940 in New York Marnix Gijsen ontmoet, doet hij net of hij diens werk ook kent. Had Maeterlinck in het Nederlands geschreven, hij zou niet zo beroemd zijn geworden.

Nooit heeft hij een roman geschreven. Zijn eerste verhaal, over een gruwelijke episode in de Tachtigjarige Oorlog (vertaald in het België-nummer van de Tweede Ronde, Herfst 1984) is zijn enige realistische fictie. Hij schrijft het ene toneelstuk na het andere. Toen ik een vriend die toneelgek is, vertelde dat ik een week alles van Maeterlinck las, zei hij: “Die man heeft het toneel vernieuwd”. Hoe dan? vroeg ik verbaasd. “Hij heeft voor het eerst stukken geschreven waarin niets gebeurt”. Dat is waar. Maar na vijftien jaar begreep men dat deze vernieuwing geen goed idee was. In elk stuk ziet men een pure jongedame in een soepjurk ellendig aan haar eind komen. De tekst zit vol herhalingen, onafgemaakte zinnen, vragen naar de bekende weg en zuchten. Het luchtte me op ergens te lezen dat het publiek een keer in schaterlachen uitbarstte. Maeterlinck heeft nooit in zijn leven een enkele zin geschreven met het doel je te laten lachen.

Pruimbaar

De poëzie valt in twee soorten uiteen. Er is de zware soort, vol moeilijke woorden, die dan wel het begin van het symbolisme moet markeren, maar die op mij vaak surrealistisch overkomt. De tweede soort, veel pruimbaarder, zijn versjes waar je de kindermelodie vanzelf bij gaat neuriën. Hoe kan men dit in Parijs zo mooi gevonden hebben? Oscar Wilde die Salomé in het Frans schreef, veronderstelde dat het effect van Maeterlinck te danken was aan het feit dat hij, 'een Vlaming van ras', in een vreemde taal schreef. Vreemd Frans is het inderdaad, maar niet vreemder dan dat van bijvoorbeeld Villiers de l'Isle-Adam.

Als Maeterlinck een gedicht moest schrijven op de magnetron, dan zou de eerste regel luiden:

O, Magnétron!

waarna twintig regels zouden volgen, die allemaal met een uitroepteken eindigen. De laatste regel zou luiden:

Magnétron, grand magnétron...

Waarom vraag ik uw aandacht voor een schrijver die slechte toneelstukken, geen romans en eigenaardige gedichten schreef? Omdat hij buitengewoon interessante non-fictie heeft geschreven. Vooral zijn biologische boeken, over Bijen, Mieren, Termieten, Bloemen, zijn de moeite waard.

Zijn eerste essaybundel, Le Trésor des Humbles, bevat stukken die hij eerder publiceerde, maar het eerste stuk, over de Stilte, schreef hij er speciaal voor. Onder de titel Le Silence (Frans voor: stilte) staat als eerste woord Silence (Engels voor: stilte). Hij begint namelijk met een aanhaling:

“Silence and Secrecy! s'écrie Carlyle, il faudra...

Met dit citaat is veel fout. De sluitende aanhalingstekens komen pas twee bladzijden verder. Veel lezers hebben gedacht dat alleen de drie Engelse woorden van Carlyle waren. In de Nederlandse vertaling zijn de aanhalingstekens zelfs helemaal weggelaten. In 1990 schreef de Waalse schrijver Gaston Compère een bewonderend boek over Maurice Maeterlinck, met de verrassende titel Maurice Maeterlinck. Hij denkt kennelijk dat de bladzij van Carlyle van zijn held is, want hij verzucht: zo heeft nog nooit iemand geschreven! Jawel, Thomas Carlyle deed het in 1834, in zijn vergeten maar verrukkelijke boek Sartor Resartus (De kleermaker versteld).

Het is dapper van Maeterlinck om de eerste bladzijden van het eerste essay in zijn eerste bundel van een ander te lenen. Maar hij had die woorden niet aan Carlyle mogen toeschrijven. Want Carlyle legde ze in de mond van zijn satirische Duitse professor Duivelstront.

Ik begrijp wel waarom dat citaat zo lang is. Maeterlinck wilde de alinea over de bijen halen, 'die in stilte en in het donker leven'. Wat zal de schrijver van Bijenleven geschrokken zijn, toen in 1935 ontdekt werd dat bijen elkaar door middel van dansen mededelingen doen.

Mieren

Dat Bijenleven is geen slecht boek. Maeterlinck raadpleegde de juiste biologen. Dat bleek me bij het lezen van het standaardwerk Ants (mieren) van Wilson en Hölldobler uit 1990.

Zij halen Maeterlinck eenmaal aan en doen heel wegwerperig over zijn mierenziel. Wilson is sociobioloog. Voor hem is het leven gebaseerd op egoïsme, het recht van de sterkste, kapitalisme. Zijn probleem is: het verklaren van het altruïsme bij de mier. Maeterlincks uitgangspunt is precies andersom: het bestaan van de mier, en van de mens, is gebaseerd op liefde, helpen van de zwakke, communisme met een mierengezicht. Hij moet het egoïsme verklaren, maar dat doet hij in zijn toneelstukken.

Maar Wilson kent Maeterlincks boek heel goed. Er is in zijn boek een raar paragraafje met de titel Mieren Spelen Niet. Daarin zegt Wilson dat de bij-kundige Huber zich in 1809 vergiste toen hij in Zwitserland twee mieren zag spelen. Ze deden wat anders. Dat korte paragraafje bevat een logische en een literaire fout. Ook al zou Huber zich in 1809 vergist hebben, dan volgt daar nog niet uit dat mieren nooit spelen. Wat Wilson van Huber citeert, citeert hij echter van Maeterlinck. Ik noem dat: plagiërend citeren.

Bastet en Fontijn hebben in hun imposante biografieën over Couperus en Van Eden gewezen op de grote indruk die Maeterlinck op ze maakte. Als Fontijns tweede deel van Tweespalt uitkomt, zal die bewondering geslonken blijken. In 1906 schrijft Frederik in zijn dagboek: “Monna Vanna (een toneelstuk van M.) laat mij koud”, en in 1908: “Omtrent de wisselwerking van individu en soort-wezen heeft Maeterlinck het rechte inzicht niet”.

Wat wás Maeterlincks inzicht?

De Grieken hadden vele goden, die met elkaar, en met de mensen, kakelden als kippen.

De christenen hebben één God, die als herder zwijgt tegen zijn blatende schapen.

De Maeterlinckianen zien de mens niet als kippen of als schapen, maar als mieren of bijen. God is doofstom, en de mieren hebben met zijn allen één ziel, zodat ook hun praten geluidloos gaat.

Bij de Alziel denk je aan New Age, Doris Lessing en Andreas Burnier. Maar Maeterlinck is niet halfzacht. Veel spiritisten en astrologen stelde hij teleur. In de Nederlandse literatuur is zijn overtuiging alleen te vinden bij Kellendonk.

Kellendonk ging zelfs zover dat hij bereid was om, ter wille van de mooie samenleving, te veinzen religieus te zijn. Bij Maeterlinck denk je nooit dat hij veinst. Hij schrijft vol overtuiging, maar hij had geen discipelen, geen school, geen kerk.

Zijn betoogstijl is die van de wiskundige Euclides. Hij begint met een stelling, waarvan de lezer de waarheid absoluut niet direct ziet. Zo volgt op het lange Carlyle-citaat de verbluffende zin: “Men moet niet geloven dat het woord ooit dient tot werkelijke communicatie tussen wezens”. Anders dan Euclides gaat hij die stelling niet bewijzen, maar bespiegelen over de consequenties ervan. Zo horen we: “Zodra we elkaar echt iets te zeggen hebben, zijn we verplicht te zwijgen”. Misschien las Wittgenstein dit.

Achterin Euclides staan hoofdstukken met stellingen waar geen enkele wiskundige ooit aan denkt. Zo dwingt Maeterlinck je te denken over ideeën waar je zelf nooit op zou zijn gekomen.

Die toneelstukken kunt u ongelezen laten, de gedichten zou u eens moeten bekijken, maar de boeken over onze kleine medeburgers zou u moeten lezen. Ik heb er een aangename week mee gehad.