'Toverakkoord' als sluitstuk voor Heerma

DEN HAAG, 29 OKT. Een miljardenoperatie waar 2,4 miljoen woningen bij betrokken zijn, die tot een drastische verlaging van de volkshuisvestingssubsidies leidt, terwijl toch de huurverhogingen voor de komende jaren op een gemiddeld lager niveau uitkomen dan de in lopende kabinetsperiode gebruikelijk was.

Het lijkt een beetje een toverakkoord dat staatssecretaris Heerma (volkshuisvesting) met de koepelorganisaties van woningcorporaties (Nationale Woningraad en Nederlands Christelijk Instituut Volkshuisvesting) en de VNG heeft bereikt. Menige woningbouwvereniging of andere sociale verhuurder zal zich achter het oor krabben bij het berekenen van de consequenties van de 'brutering', zoals het tegen elkaar wegstrepen van objectsubsidies enerzijds en af te lossen leningen aan het rijk anderzijds wordt genoemd. Deze mammoetoperatie is complex en kent in het parlement niet voor niets haar grootste voorstander in het CDA-Kamerlid Tuinstra, voormalig verzekeringswiskundige.

Heerma mag, om het nut van de brutering te onderstrepen, graag de imaginaire situatie beschrijven van twee mannen die ieder een koffer met geld dragen en elkaar voor het ministerie tegenkomen. De een is ambtenaar en gaat op weg om de woningbouwverenigingen de afgesproken miljarden aan subsidie uit te delen, de ander, actief op het maatschappelijk middenveld, komt juist namens die corporaties oude schulden aan het rijk aflossen. De 'brutering' bespaart deze mannen in één klap het gesjouw met die koffers, dat anders nog tot ver na de eeuwwisseling zou voortduren. De operatie is primair een balansverkorting, die het optische effect heeft dat het ministerie van volkshuisvesting niet langer de grootste subsidieverstrekker van Nederland is.

Als Nederland één sociale verhuurder kende die al die 2,4 miljoen woningwetwoningen beheerde, klopte de schets met de twee kofferdragers aardig. Maar de werkelijkheid is dat er honderden woningbouwverenigingen zijn, die allemaal hun eigen privaatrechtelijke overeenkomst met het rijk hebben, inclusief (subsidie)rechten en (aflossings)plichten. Het akkoord dat Heerma gistermiddag met algemeen directeur B. Kempen (Nationale Woningraad), G. Aquina (NCIV) en P. Dordregter (VNG) openbaar maakte, is ook nog maar voorlopig. Heerma moet de Tweede Kamer overtuigen - hetgeen niet zo'n probleem lijkt - en de woningbouwkoepels hun achterban, de woningbouwverenigingen. De VNG heeft vooral te maken met de gemeentelijke woningbedrijven.

Zonder nadere maatregelen zou de operatie bijzonder gunstig zijn voor woningbouwverenigingen waarvan de meeste woningen al subsidievrij zijn, terwijl de corporaties die nog tot in lengte van jaren op subsidies rekenden, de dupe zouden worden. De woningbouwkoepels zullen vooral deze laatste categorie, veelal te vinden in groeikernen, ervan moeten overtuigen dat de twee miljard gulden waarop zij extra mogen rekenen, hen tot een verantwoorde exploitatie in staat stelt.

De partijen presenteerden hun bruteringsoperatie (“Na heel stevige, maar eerlijke onderhandelingen”, zei Kempen) als een akkoord waartegen slechts ja of nee mag worden gezegd. Tweede Kamer noch woningcorporaties kunnen veranderingen aanbrengen. De bedoeling is dat voor 15 maart van het volgend jaar een definitieve beslissing valt, waarna de regeling in 1995 ingaat.

Het ministerie schat inmiddels dat het de komende jaren 35 miljard gulden aan subsidieverplichtingen kan wegstrepen tegen de nog uitstaande woningwetleningen. Eerder was sprake van een bedrag van zo'n 50 miljard gulden aan uitstaande leningen; de corporaties hebben de afgelopen tijd echter gretig gebruik gemaakt van de mogelijkheid al leningen vervroegd aan het rijk af te lossen (op dit moment voor zo'n 8 miljard) en ze vervolgens, tegen de huidige, gunstiger rente, op de kapitaalmarkt opnieuw af te sluiten.

Te voorzien is dat de operatie een gunstig effect op de staatsschuld zal hebben. Wie weet dat de jaarlijkse rente-aflossing op de staatsschuld inmiddels al de op een na grootste uitgavenpost op de rijksbegroting is, zal de bijzondere belangstelling van minister Kok (financiën) voor de bruteringsoperatie begrijpen.

Er zitten meer politiek interessante kanten aan de bruteringsoperatie. Het feit dat het rijk straks feitelijk geen subsidiegever meer is, vergroot de macht van de woningbouwkoepels en dus van het maatschappelijk middenveld. Staatssecretaris Heerma verloochent zijn CDA-afkomst dus allerminst. De brutering kan ook worden gezien als het sluitstuk van een operatie in de zeven jaren-Heerma waarin de rol van de rijksoverheid in de volkshuisvesting bewust is verkleind. De huursector wordt goeddeels zelfstandig en gebonden aan de wetten van de markt. De Nationale Woningraad en het NCIV beheren ook grotendeels de gezamenlijke fondsen van de woningbouwverenigingen die straks bij de garantiestelling van leningen en bij steun aan corporaties in financiële nood nog meer dan nu de hoofdrol spelen.

Op hun beurt lopen de corporaties meer financiële risico's, een jaarlijkse subsidie van het rijk om hun exploitatie dekkend te maken is er straks niet meer bij. Kempen maakte duidelijk dat graag op de koop toe te nemen. “We lopen nu steeds het risico dat de politiek op de volkshuisvesting en vooral op onze subsidies wil bezuinigen.” De recent verschenen verkiezingsprogramma's van CDA en VVD bevestigen dat. De woningbouwverenigingen hebben straks één zekerheid: op subsidies die niet gegeven worden, kan ook niet worden beknibbeld.

Dat is de laatste jaren steeds wel gebeurd, hetgeen tot uitdrukking kwam in huurverhogingen van zo'n 5,5 procent, ruim boven de jaarlijkse inflatie. Omdat deze stijgingen tevens golden voor al afbetaalde, subsidievrije woningen, profiteerden de verhuurders hier ook van. De reserves die de corporaties mede daardoor konden opbouwen, in combinatie met de lage rente, heeft ze naar de schatting van Heerma “voldoende vlees op het bot” opgeleverd om in principe subsidieloos te bouwen.

Over de huurverhogingen is in het akkoord afgesproken dat ze de komende vijf jaren een half procent boven de inflatie zullen uitkomen, met een minimum van 3,5 procent, waarbij afhankelijk van de kwaliteit van de woningen variaties naar boven en beneden mogelijk zijn. Daarna moet de huurvaststelling meer en meer een zaak van onderhandelingen tussen verhuurders en huurders worden.

Pikant daarbij is de rol van het ministerie van volkshuisvesting. Nu heeft dat, louter financieel gezien, belang bij een zo hoog mogelijke huurstijging, omdat dat communiceert met zo laag mogelijke objectsubsidies. Straks is het departement gebaat bij zo laag mogelijke huurverhogingen. Dan geldt: hoe lager de huren, hoe minder het ministerie met individuele huursubsidie voor de laagstbetaalden hoeft bij te springen. De vraag is hoe de politiek haar rol bij de huren straks ziet. Kempen ging er gisteren vanuit dat de verhuurders in principe de huurverhoging bepalen. Heerma ziet voor de bewindsman die straks over volkshuisvesting gaat een rol weggelegd die de minister van sociale zaken nu bij CAO's speelt: hij kan de huurstijgingen verbindend verklaren. Of niet.

    • John Kroon