Rijksmuseum houdt voorlopig op met grote tentoonstellingen

Zie ook CS pag. 6

AMSTERDAM, 29 OKT. Na de tentoonstelling Dageraad der Gouden Eeuw, die op 11 december open gaat, zal het Rijksmuseum voorlopig geen omvangrijke tentoonstellingen meer organiseren. Het Rijksmuseum geeft voorrang aan het verbeteren van de bewaaromstandigheden van de eigen collectie.

J.P. Filedt Kok, directeur Behoud Beheer van het Rijksmuseum, zegt dit vandaag in een interview in het Cultureel Supplement over de betekenis voor de musea van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud.

Op 4 november verschijnt een onafhankelijk rapport van de Algemene Rekenkamer, Cultuurbehoud, over de vorderingen van het Deltaplan. Eind november publiceert het ministerie van WVC zijn eigen tussentijdse evaluatie van het Deltaplan, getiteld Het tij gekeerd. Begin december beslist de Tweede Kamer over een eventuele voortzetting van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud na 1996.

Volgens de directie van het Rijksmuseum zijn “de grenzen van de groei bereikt”. De tentoonstelling Dageraad der Gouden Eeuw, die een overzicht biedt van het beste dat er rondom 1600 in Nederland aan kunst en kunstnijverheid werd geproduceerd, zal met 350 objecten de laatste echt grote expositie in het Rijksmuseum zijn van de jaren negentig.

Filedt Kok: “De tentoonstelling kost twee miljoen gulden, waarvan wij ruim een miljoen gulden zelf opbrengen. Zulke bedragen kunnen we de komende jaren niet meer vrijmaken. Gebleken is dat de benodigde inspanningen voor het behoud van de collectie zo groot zijn, zowel financieel als personeel, dat je niet tegelijkertijd op de oude voet kunt doorgaan met het maken van dure tentoonstellingen.” Het Rijksmuseum streeft naar het aantrekkelijker en toegankelijker maken van de vaste opstellingen. De inrichting daarvan dateert nog uit de jaren vijftig en zestig.

Van zijn jaarlijkse budget van 22 miljoen gulden kan het Rijksmuseum 5 miljoen gulden vrij besteden. In de komende jaren geeft het daarvan jaarlijks 2 miljoen gulden uit aan conservering, voornamelijk aan de verbetering van de bewaaromstandigheden in de depots, en het op peil brengen van de collectie-administratie. Dit bedrag wordt jaarlijks aangevuld met 1 miljoen gulden subsidie van WVC in het kader van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud. Aan de herinrichting van de vaste opstelling besteedt het Rijksmuseum jaarlijks ruim 1 miljoen gulden. Voor beide projecten heeft het museum een planning gemaakt die loopt tot het einde van dit decennium.

Volgens Filedt Kok leidden de omvangrijke tentoonstellingen die het Rijksmuseum de laatste jaren organiseerde, zoals De eeuw van de Beeldenstorm (1986) en Rembrandt; De meester en zijn werkplaats (1991-1992), door ruimtegebrek tevens tot grote organisatorische problemen. Het museum beschikt slechts over twee zalen voor tijdelijke tentoonstellingen, zodat een groot deel van de vaste collectie voor dergelijke exposities moest wijken. “In de afgelopen jaren hebben we daarom gestreefd naar uitbreiding van het bestaande gebouw, met een nieuwe vleugel, of naar het vinden van een tentoonstellingsruimte buiten het gebouw, liefst een die samen met andere musea kon worden gebruikt.” Onderhandelingen daarover met het Rijksmuseum Vincent van Gogh zijn echter op niets uitgelopen.

Het Rijksmuseum heeft nu besloten om de uitbreidingsplannen voorlopig te laten varen en voorrang te geven aan “het lenigen van de noden in eigen huis”.

Al eerder liet H. van Os, algemeen directeur van het Rijksmuseum, weten een einde te willen maken aan de “rage om die relatief beperkte, op tentoonstellingen gerichte doelgroep onder de museumbezoekers van de ene naar de andere plek te laten rennen.” Het Rijksmuseum bracht sinds het aantreden van Van Os het aantal tentoonstellingen al met een-derde terug tot zo'n tien per jaar. De herinrichting van de vaste opstellingen past in het beleidsvoornemen van het museum om een meer continue belangstelling teweeg te brengen voor zijn vaste collectie juist bij Nederlandse bezoekers.

    • Kitty Kylian