Poes Grijs

Nog niet zo lang geleden kon je hier in huis ongestoord een boek lezen.

Nu ligt er altijd iemand bovenop die spint en kopjes geeft. Gijs heet hij. We zijn eraan gewend geraakt dat hij op onze boeken zit. Het lijkt bijna of het altijd zo is geweest. Toch had hij vroeger een andere bazin en daarvóór nog een andere. Op een dag kwam hij bij ons wonen. Hij had een kussen bij zich en een kurk. Dat kussen gebruikt hij nog steeds (als bed), maar de kurk is op een dag weggegooid. Dat was een grote vergissing. Hij voetbalde ermee.

Gijs is grijs. Grijs gestreept en wit gesokt. Heel gewoon eigenlijk, behalve zijn ogen, die zou je moeten zien. Knikkers van goud zijn het - je vindt er geen tweede paar van.

Soms staren ze voor zich uit alsof ze nergens iets van begrijpen. Dat is niet zo. Hij is namelijk niet dom, hij kent twee woorden. Om te beginnen: hij weet wie er met Gijs wordt bedoeld. En hoort hij het toverwoord eten, dan gaat hij op een holletje naar de keuken om te kijken of er misschien iets in zijn bak ligt.

Hij leert nu zijn derde woord: zit. Hij snapt heus wel wat wij dan van hem willen. Zoals gezegd, hij is niet op z'n achterhoofd gevallen. Hij heeft alleen niet altijd zin in wat wij willen. Soms gaat hij zich bijvoorbeeld liever wassen. Of hij draait zich om en loopt weg, zijn staart als een vlaggestok in de lucht.

Praten kan hij trouwens ook, op zijn manier dan. Wie iets tegen hem zegt mag rekenen op antwoord. Tegen vogels in de dakgoot en vliegen aan de binnenkant van het raam praat hij anders - dat is schor gemekker. De vogels trekken zich er niets van aan. De vliegen ook niet. Zouden ze beter wel kunnen doen: mekkeren betekent dat de jacht kan beginnen. Als de vliegen dat in de gaten krijgen is het te laat om het na te vertellen. Gijs kraakt ze tussen zijn kiezen en likt zijn snor wel twintig keer af.

Als er geen vliegen zijn rent hij achter spruitjes aan om in conditie te blijven. Ze moeten wel rauw zijn, gekookte eet hij op. Als er eentje op de grond valt komt hij in actie. Hij neemt het in zijn bek, voorzichtig, alsof het een breekbaar ei is. Voor je voeten laat hij het vallen en wacht tot het wordt weggegooid. Dan begint het spel van voren af aan.

Is dat nou alles, zul je zeggen. Ik ben bang van wel ja. Maar het gekke is: wij vinden het heel wat.