Nederland is koploper

Nederland is koploper op het gebied van deeltijdarbeid in de westerse wereld. Uit cijfers van de OESO blijkt dat 34,3 procent van de werkende Nederlandse bevolking part-time werkt. Op de tweede plaats prijkt Zweden, gevolgd door Denemarken, Australië en Groot-Brittanië.

In alle landen blijken vrouwen aanzienlijk vaker in deeltijd te werken dan mannen. In Nederland werkte twee jaar geleden 16,7 procent van de werkende mannen part-time, bij de vrouwen was dit 62,2 procent. Zij bezetten over het algemeen de 'kleinere' banen in deeltijd.

In een onderzoek wijst de Organisatie voor Strategische Arbeidsmarktonderzoek (OSA) echter op een nieuwe trend; het aantal 'grotere' deeltijdbanen stijgt. Zo steeg onder vrouwen de hoeveelheid werk tussen de 20 en 35 uur van 32,9 procent in 1990 tot 36,1 procent in het vorige jaar.

Zorg voor de kinderen en het huishouden blijken vaak de voornaamste redenen om minder te gaan willen werken. In een enquête onder de werkende bevolking geeft 34 procent van de vrouwen tussen de 25 en 44 jaar aan een deeltijdbaan te willen om voor het gezin te zorgen. In dezelfde leeftijdscategorie zegt slechts één procent van de mannen minder te willen werken om huishoudelijke taken op zich te nemen.

Het is niet verwonderlijk dat deeltijd zich vooral in zogenaamde vrouwenberoepen voordoet; schoonmakers, secretaressen en huishoudelijk personeel. Daarentegen doet de wèns om minder te werken zich vooral voor in de zakelijke dienstverlening (banken en verzekeraars) en onder mensen met een beleids- of hogere leidinggevende functie. De over het algemeen behoudende medewerkers in de bouw voelen het minst voor deeltijd.