Lubbers liet Eurobank schieten

Dat de toekomstige Europese Centrale Bank (ECB) niet naar Amsterdam gaat, is nauwelijks verrassend. Want het ECB-dossier lag stevig in handen van premier Lubbers en die nam de Amsterdamse kandidatuur nooit echt serieus. Gezien de Duitse ambitie getuigt dat van een grote dosis Realpolitik.

Aan Ruud Lubbers heeft het niet gelegen dat de campagne om de toekomstige Europese Centrale Bank (ECB) in Amsterdam te vestigen, is mislukt. De premier heeft zich namelijk nooit ingespannen voor Amsterdam als vestigingsplaats van de ECB. Ondanks verzekeringen 'all out' te gaan in een slotoffensief voor de ECB, heeft Lubbers de Amsterdamse kandidatuur geen moment serieus genomen.

Gezien de inzet van Duitsland om de ECB naar het land van de D-mark te halen, getuigt die opstelling van een grote dosis Realpolitik. Want ook met een intensieve, goed gecoördineerde nationale campagne onder leiding van Lubbers was de ECB waarschijnlijk aan de neus van Amsterdam voorbijgegaan. Alle betrokkenen wisten dat in het Europese monetaire krachtenspel Duitsland begin 1992 zijn prioriteit had gesteld. De kritiek van de lobbyisten voor de Amsterdamse kandidatuur - het ministerie van financiën, De Nederlandsche Bank en de belangengroep Amsterdam Financieel Centrum - is dat Lubbers geen enkele gelegenheid te baat heeft genomen om de kleine kans voor Amsterdam als outsider in de slag om de ECB te benutten.

Lubbers, zeggen betrokkenen, was al vanaf de ondertekening van het Verdrag van Maastricht in december 1991 waarin de oprichting van de ECB is vastgelegd, van mening dat het verspilde moeite zou zijn zich voor Amsterdam in te zetten. Op de EG-top in Lissabon, vorige zomer, heeft hij de Nederlandse claim op de ECB weggegeven en sindsdien in het openbaar dubbelspel gespeeld.

Hoewel De Nederlandsche Bank en Financiën zich niet onbetuigd lieten in de campagne voor Amsterdam, lag het dossier-ECB stevig in de handen van Lubbers. Duisenberg en Kok konden in respectievelijk het Comité van gouverneurs van de centrale banken en de Ecofin pleiten voor Amsterdam, maar daar viel de beslissing niet. De vestigingsplaats van de ECB was een zaak voor de top van Europese regeringsleiders. Buitenlandse Zaken heeft zich nooit met de ECB bezig gehouden en geniet een zwakke reputatie als het op lobbyen aankomt. De ECB was dus een alleenvertoning voor de premier waar niemand verder enige greep op had.

Daarbij kwam dat het besluit over de ECB niet op zichzelf stond, maar onderdeel vormde van een hele serie vestigingsplaatsen waarover de regeringsleiders zich moesten uitspreken. Nederland had belangstelling voor wel vier of vijf instellingen - naast de ECB ook Europol, het Milieubureau, het Medicijnenbureau en het Merkenbureau - en dus moest de premier prioriteiten stellen en een strategie bepalen om bij de onvermijdelijke ruil niet met lege handen thuis te komen. Bovendien speelde een rol dat Lubbers getipt werd als toekomstig president van de Europese Commissie. Het formele besluit daarover, zomer volgend jaar, wordt eveneens genomen door de regeringsleiders. Voor een eventuele benoeming is Lubbers aangewezen op hun welgezindheid en gewild of ongewild werd zijn eigen toekomst een kaart in het pokerspel om de vestigingsplaats van de instellingen.

Twee keer heeft zich een kans voorgedaan om de ECB aan Amsterdam toe te wijzen. De eerste keer was op de EG-top in Maastricht, december 1991. Duitsland had toen de Europese centrale bank nog niet voor zich opgeëist en de Duitse delegatie verkeerde in grote ontreddering over het verdrag van Maastricht. Bondskanselier Kohl was er zoveel aan gelegen om het verdrag aanvaard te krijgen, dat hij aan de Fransen en Italianen de ene concessie na de andere deed - zoals een vaste datum voor de invoering van de Monetaire Unie en afzwakking van de criteria voor deelname aan een gemeenschappelijke munt. Een deel van de Duitse delegatie verliet ontgoocheld en in het geheim vroegtijdig Maastricht.

Op de triomf van de succesvol afgesloten onderhandelingen had Lubbers kunnen doordrukken en Amsterdam kunnen opnemen in artikel 37 van het Protocol met de statuten van de ECB. Maar als voorzitter durfde hij Duitsland niet voor het hoofd te stoten (hoewel de kort tevoren afgetreden president van de Bundesbank, Pöhl, herhaaldelijk voor Amsterdam had gepleit). België hield uiteindelijk de besluitvorming over de zetelkwestie tegen omdat premier Martens demissionair was en zich niet wilde binden aan een zetelbesluit zolang de Brusselse vergaderingen van het Europarlement niet waren geregeld.

Een half jaar later, op de EG-top in Lissabon, maakte Lubbers een strategische fout die hem in Amsterdam nooit vergeven is. In plaats van de centrale bank als enige Nederlandse eis in te dienen, presenteerde hij een lijstje met drie wensen: de ECB, het Merkenbureau en Europol. Ervaren onderhandelaars - zoals Lubbers - weten dat daarmee de geloofwaardigheid van de Nederlandse claim op de ECB was verspeeld: Lubbers bood eigener beweging ruimte voor een afruil.

Kohl had inmiddels de centrale bank voor Duitsland opgeëist en het Portugese voorzitterschap kwam met een voorstel: de ECB naar Duitsland, Europol naar Nederland en een Nederlander als eerste president van de toekomstige centrale bank. Lubbers noemde het pakket “niet zo slecht” als compensatie voor de afwijzing van Amsterdam. Vorige week werd niet een Nederlander maar de Belg Alexandre Lamfalussy benoemd tot eerste president van het Europese Monetaire Instituut, de voorloper van de Europese Centrale Bank.

Ook in Lissabon bleef een regeling uit omdat België bezwaren maakte in verband met het Europarlement en omdat Groot-Brittannië (dat Londen als vestigingsplaats voor de ECB in de aanbieding had) ieder besluit blokkeerde in verband met de slepende parlementaire behandeling van het verdrag van Maastricht. Tot Britse verbazing sloot Lubbers zich niet bij die blokkade aan. Weer een half jaar later, op de top in Edinburgh, werd een afspraak gemaakt over het Europarlement waarmee België en Frankrijk konden instemmen, maar niet over de overige instellingen.

De standpunten lagen duidelijk: Duitsland eiste de bank op voor Frankfurt, Groot-Brittannië was tegen, Frankrijk ging akkoord maar had grote bezwaren tegen Frankfurt. Nederland bestendigde de strategie van 'Wie van de drie': ECB òf Europol òf Merkenbureau. Informeel werd verzekerd dat Nederland van zijn vetorecht gebruik zou maken als geen van de drie aan Nederland zou toevallen. De overige EG-landen trokken hun conclusie: de ECB was Nederland geen crisis waard.

De bank zou voor Amsterdam nog te redden zijn geweest met hogere diplomatie. Het ministerie van financiën stelde voor om openlijke Nederlandse steun uit te spreken voor Frankfurt. Dan zouden de Fransen misschien hun steun aan Duitsland herzien en Amsterdam als 'tweede keus' aanvaarden. Zowel voor Frankrijk als Groot-Brittannië speelde mee dat men in de concurrentie tussen de financiële centra in Europa Frankfurt niet graag versterkt ziet met een centrale bank. Voor Londen en Parijs vormt Amsterdam geen financiële bedreiging.

Naarmate duidelijker werd dat Lubbers slechts plichtmatig moeite deed voor Amsterdam, verminderden Kok en Duisenberg hun inspanningen eveneens. Kok, zo zegt men op Financiën, had geen zin om bij een mislukking de verantwoordelijkheid hiervoor in de schoenen geschoven te krijgen - zoals Lubbers na 27 september 1991 de schuld voor het geflopte Nederlandse voorstel voor de Europese Politieke Unie dat van zijn hand was, had afgewenteld op minister van buitenlandse zaken Van den Broek (zie het artikel 'De notulen van Maastricht' in Vrij Nederland van 7 november 1992, waarin 'de bekering van Lubbers' is gedocumenteerd).

Wat deed Amsterdam ter bevordering van zijn kandidatuur? Niet veel en niet veel goeds. De Stichting Amsterdam Financieel Centrum, een lobbygroep van het bankwezen onder leiding van oud-AMRO-topman mr. F. Hoogendijk, deed zijn best maar beschikte over weinig middelen. Het gemeentebestuur van Amsterdam liet het er volkomen bij zitten. Frankfurt en de City organiseerden manifestaties ter ondersteuning van hun kandidatuur, Amsterdam deed niets. De internationale reputatie van Amsterdam als financieel centrum werd bovendien geschaad door de laksheid waarmee de autoriteiten de uitwaaiering gedoogden van financiële diensten die zich met alles behalve respectabele activiteiten bezig hielden. Zoals Luxemburg als vestigingsplaats voor de ECB geen kans maakte omdat het bekend staat als magneet voor belastingontduiking, plaatste de witwasmachinerie van drugsgeld Amsterdam in een slecht daglicht.

Politiek Den Haag heeft Lubbers zijn gang laten gaan en zich tevreden gesteld met tot niets verplichtende beloftes van de premier om zich voor de ECB in te zetten. Alleen Bolkestein trotseerde de premier en vroeg half september om opheldering in een debat waarin hij niet alleen de ECB, maar ook Lubbers' aspiraties voor het presidentsschap voor de Europese commissie betrok. Lubbers beloofde 'liever de bank dan de man'. Waarbij iedereen wist dat de bank allang vergeven was.