Lied over het zoeken van paddestoelen in het ochtendgloren

Plomp dauwtrappend, mijn voeten

loop ik zonder te moeten

dwars door het dichte bos

Ik heb mezelf gezworen

de nachtrust niet te storen

van de bosfee in 't mos.

Ik ken een prachtig plekje

een eekhoorntjesbroodstekje

en haast me heimelijk.

Al vind ik het niet netjes

dat ik ze bij hun voetjes

zo uit de aarde ruk.

Eerst bedwing ik mijn lusten

en laat mijn blik slechts rusten

op dit schone tafereel.

Wat kleine, blauwe klokjes

draaien hun hoepelrokjes

als in een klokkenspel.

O wreed mes in mijn hand!

Straks zijn ze in de mand.

Wat ben ik toch een zot!

Mijn lijf begint te beven,

ik barst van medeleven

met het boletenlot.

Verblind dor ware woede

en niet meer op mijn hoede,

blauwe klokjes ten spijt,

werp ik me als bezeten

op die lieve boleten

tot het mes niet meer snijdt.

De fee schrok op en vluchtte

door witte ochtendluchten

en scheurde haar gewaad.

Aan flarden dreef de nevel,

de zon kwam aan de hemel,

een nieuw dageraad.

    • Herdicht Door Jana Beranová
    • Jaroslav Seifert