Kamer en bijstand

IN EEN VLAAG van herwonnen zelfvertrouwen kwam een commissie uit de Tweede Kamer eerder dit jaar met een revolutionair voorstel: het gigantische aantal adviesraden dat Nederland telt zou moeten worden gereduceerd tot nog maar één per departement. Een van de gevolgen van een dergelijke sanering is dat Tweede-Kamerleden meer terugvallen op hun eigen oordeelsvorming. Niet slecht voor mensen van wie wordt verwacht dat zij in het parlement opereren zonder last of ruggespraak. Maar als dit leidt tot een procedure zoals die nu is gevolgd rondom de wijzigingen van de bijstandswet, is het niet ondenkbaar dat al snel wordt terugverlangd naar de tijd van de diverse adviesraden.

De Tweede Kamer heeft bij zichzelf advies ingewonnen over een andere opzet van de bijstand. Zolang er meer dan één partij in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd ligt het voor de hand dat een dergelijke exercitie tot verdeeldheid leidt. Dat het advies afwijkt van dat van een onafhankelijke commissie die zich over hetzelfde probleem heeft gebogen, is ook nog voorstelbaar. Dat mensen uit één en dezelfde partij elkaar tegenspreken maakt het al ingewikkelder. Maar dat eerder uitgesproken steun aan kabinetsvoornemens weer wordt ingetrokken maakt het ondoorgrondelijk.

DE TWEEDE-KAMERCOMMISSIE onder leiding van het CDA-lid Doelman-Pel heeft een nieuwe variant ontwikkeld voor het vaststellen van de hoogte van de bijstandsuitkeringen. De vertegenwoordigers van VVD en GroenLinks in de commissie hebben daarbij, zoals te verwachten viel, ieder een eigen minderheidsstandpunt ingenomen. Dit onderstreept nog eens dat het bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering gaat om een politieke keuze. Maar het roept tevens de vraag op waarom de Tweede Kamer om tot die vaststelling te komen een bijzondere commissie in het leven moest roepen. Speciale, breed samengestelde commissies kunnen nuttig zijn als het gaat om het verwerven van pure feitenkennis. Tot die taak zouden zij zich ook moeten beperken. De politieke keuzes dienen te worden gemaakt in de Tweede Kamer en niet in de beslotenheid van quasi, want politiek samengestelde, deskundigencommissies.