Jurassic Park in Wallonie

Het dichtstbijzijnde surrealisme begint meteen ten zuiden van Brussel; het praktisch surrealisme van stad, voorstad en landschap.

De trein rijdt tussen Brussel en Parijs langs een grensgebied, een soort voorgebergte van ingezakte fabrieken, lage baksteenhuisjes die zich in een flauwe slinger van de spoorbaan verwijderen, een ijzeren toren boven een verlaten mijnschacht, een gifgroene poel, geboomte dat lang geleden door het grondwater is gedood, in de verte nog een paar schoorstenen - al dat meubilair waarmee het volk van de industriële revolutie zich had ingericht. Bij ons heeft de gemiddelde bouwval nog altijd een korte levensduur; daar zetten ze op een andere plaats iets nieuws neer en geven het oude aan de ratten, de vogels en de geesten. Dat zie je trouwens ook in de buurt van Antwerpen, in het oude Engelse industriegebied en in Pennsylvania en West Virginia; misschien wel overal waar de steenkool heeft geheerst, met uitzondering van Zuid Limburg.

Dan, voor je het weet ben je in Bergen, of Mons, en daar is het mooiste alweer voorbij. De industrie heeft in Noord Frankrijk ook hardhandig huisgehouden maar het meeste ligt verder van deze spoorlijn verwijderd.

In Wallonië, ten westen van de grote lijn naar Parijs ligt het Jurassic Park van de Industriële Revolutie. Eerst zijn de kolen uit de grond gedolven en al gravend hebben de mijnwerkers een nieuw gebergte van zwarte kegels doen ontstaan. In Brabant en Henegouwen werden kanalen gegraven waarvan het water nu nog zo zwart is als kolengruis. De Eerste Wereldoorlog is eroverheen getrokken, en als we Barbara Tuchman mogen geloven - ik doe dat graag - was het er toen niet veel anders dan nu. In The Guns of August beschrijft ze de 23ste augustus 1914. Het is zondag. 'Ver naar links waren de Britten en het leger van Von Kluck sinds de vroege ochtend aan weerskanten van het vijftig meter brede Kanaal van Mons in een duel gewikkeld. De zon brak door de mist; het beloofde een hete dag te worden. De kerkklokken luidden en zoals iedere zondag stroomde het volk van de mijnwerkersdorpen naar de mis. Aan de oevers van het kanaal strekten zich de rangeerterreinen en de opslagplaatsen der fabrieken uit. Het water was bedekt met roet en stonk naar het afval van de fabrieken en de cokesblusserijen. Tussen de akkertjes, stroken weiland en een enkele boomgaard stonden als heksenhoeden de puntige slakkenheuvels. Het landschap had een buitengewone, een bizarre aanblik.'

Om kort te gaan: Von Kluck begint een artilleriebombardement, de Duitsers steken het kanaal over en de Britten proberen zich los te maken. Het duurt bij Tuchman nog 300 pagina's voor we weten hoe het is afgelopen, maar deze streek in Wallonië is dan al in de oorlog ingewijd. Vijftien jaar later breekt de grote crisis uit en na de Tweede Wereldoorlog komt eindelijk de finale, als de mijnen worden gesloten. We zullen weinig gebieden in Europa vinden die met zoveel bedoelingen op zoveel uiteenlopende manieren met zoveel technieken zijn omgewoeld.

Als je met enig beleid het spoorboekje gebruikt kun je gemakkelijk in één dag met de trein heel België om, maar gemeten in de totale lengte van de rails heeft het land een van de langste netten van West Europa. Het grootste deel daarvan ligt weer in dit industriegebied, en menig treintraject loopt parallel aan een kanaal. Een jaar of vijf geleden nog was daar het centrum van dit Jurassic Park, vol roestige geraamten: de hoognekkige van de mijntorens, de slankhalzige van de hijskranen en de lange ruggegraten van de laadbruggen. Op een heldere winternacht met volle maan had je daar een landschap dat door Spielberg nog moet worden verzonnen.

In zo'n omgeving wordt anders geschreven en geschilderd dan in de buurt van de grote rivieren en in de steden waar de coulissen uit de Gouden Eeuw zijn geconserveerd. Wallonië is voor ons het dichtstbijzijnde land van het absurde. Ik denk er aan Paul Delvaux, de stadsnacht, de tramrails in een straat met keien, stations met kantwerk van gietijzer, figuren die tijdloos ouderwets zijn. Er hangt prachtig werk van hem in het Musée des Beaux-Arts in Mons. De meeste Nederlanders op weg naar Parijs of terug kijken daar alleen even uit het raam en verzuimen het avontuur dat het gevolg is van het onverwachte uitstappen. Op de top van de berg van Mons is trouwens een plein met goede restaurants. Onthoudt de weg die u gekomen bent, want kiest u de verkeerde terug dan moet u om de voet van de berg lopen om het punt van vertrek weer te bereiken, en dat is een grotere afstand dan u denkt.