Inval op het eiland Gozo

Wat vooraf ging: Gerrit, de poes van mijn vriend Jan, verdween spoorloos uit Dierenhotel Kroonjuweel. Terwijl we op de terugkeer van Gerrit wachten, arriveren er zonderlinge gasten in het hotel zoals de keizer van Gozo, een wit konijn en mijn eigen broer, die door het konijn tot secretaris is bevorderd.

Bij de lift van Dierenhotel Kroonjuweel stond een dame te wachten die ik nog niet eerder had gezien. Ze had een lief gezicht dat omrankt was door grijze krullen en ze droeg een lange jurk van hemelsblauwe zijde. In haar hand hield ze een zilverkleurig stokje dat precies op een toverstaf leek. Ze zag er zo sprookjesachtig uit dat ik mijn ogen niet van haar kon afhouden. “Mag ik u iets vragen? Bent u misschien toverfee van beroep?,” vroeg ik. “Nee hoor,” antwoordde de dame met een glimlach. En terwijl ze het staafje in de lucht stak, vervolgde ze, “je denkt misschien dat dit een toverstaf is maar het is geen toverstaf, het is een zilverkleurige opvouw-paraplu. Ik heb gehoord dat het in dit land dikwijls regent en daarom heb ik zelf een paraplu gemaakt. Ik kom van verre, ik kom van een eiland waar de zon altijd schijnt. Er is bijna niemand die dat eiland kent, het heet Gozo.”

“Dat is ook toevallig. In dit dierenhotel heeft de keizer van Gozo zijn intrek genomen,” riep ik uit. “Zo toevallig is dat nu ook weer niet want de keizer van Gozo is mijn zoon,” antwoordde de dame. “Maar dan bent u de keizerin-moeder,” zei ik verbaasd. “Ja, maar dat geeft niets hoor. Zullen we samen een kopje thee drinken?” zei de keizerin-moeder. Ik volgde de keizerin-moeder naar de keizerlijke hotelkamer waar haar zoon nog lag te sluimeren. “Ik hoop dat het gaat sneeuwen. Ik heb nog nooit sneeuw gezien. En als het sneeuwt, wil ik een pop van sneeuw maken,” zei de keizerin-moeder terwijl ze heet water in de theepot goot. “In dit jaargetijde valt er geen sneeuw, van de winter misschien,” legde ik de keizerin-moeder uit. “Dat geeft niets hoor,” zei de keizerin-moeder, “want misschien blijven we wel voor altijd in dit land.” “Wilt u dan niet meer terug naar Gozo?” vroeg ik. “Oh, jawel hoor. Maar we kunnen niet terug. We zijn al onze bezittingen kwijt. Ons eiland is overvallen door een leger van een naburig eiland. Als we afstand doen van de troon zullen ze de mensen van Gozo geen kwaad doen, hebben ze mij beloofd. Mijn zoon weet het nog niet, ik zal het hem wel vertellen als hij wakker is.”

De thee was intussen getrokken en de keizerin-moeder serveerde verse bokkepootjes. “Voor ik Gozo verliet, heb ik mijn kroon in mijn koffer verstopt. Als ik die kroon verkoop, hebben mijn zoon en ik voorlopig genoeg geld om van te leven. Ken je misschien iemand die mijn kroon zou willen kopen?” zei de keizerin-moeder terwijl ze een hapje van haar bokkepootje nam. “In dit hotel logeert een steenrijk wit konijn van wie mijn broer de secretaris is. Misschien wil dat konijn wel een kroon kopen,” zei ik tegen de keizerin-moeder. “Een wit konijn nog wel! Dat lijkt me heel mooi, een konijn zo wit als sneeuw met een gouden kroon op zijn hoofd,” zei de keizerin-moeder opgetogen.

(wordt vervolgd)

    • Betty van Garrel