Ik ben gelukkig opgevoed in de Version Originale; Gesprek met de Franstalige Belgische auteur Jean-Luc Outers

Het doet de Franstalige Belgische auteur Jean- Luc Outers pijn dat de Vlamingen van de taalgrens een staatsgrens willen maken, dat ze zelfs Franstalige programma's in de Vlaamse voorsteden van Brussel op de televisie verbieden. “Terwijl iedereen daar allang naar de Engelse of de Italiaanse tv kan kijken!” Outers werkt voor de regering van de Franse Gemeenschap.

Jean Luc Outers: De orde van de dag. Uitg. Dedalus. Prijs ƒ 39,10

Jean Luc Outers: Keurslijf. Uitg. Dedalus. Prijs ƒ 45,65

(Oorspronkelijk: l'Ordre du Jour en Corps du Métier, bij uitg. Gallimard)

Wie de auteur Jean-Luc Outers op zijn werk in Brussel bezoekt, stapt meteen het decor in van zijn boeken. Zowel De Orde van de Dag als het recente Keurslijf spelen in het benauwde milieu van de Belgische bureaucratie. Outers werkt voor de Franse Gemeenschap, een regering met eigen ministers, bevoegd voor cultuur, onderwijs en sociaal welzijn van de 4 miljoen Franstaligen in België.

Dwalend door de gangen van het kolossale kantoorgebouw aan de Avenue Leopold herken ik de auteur opeens van de achterflap. Een tengere figuur, donker, met intense ogen, haalt me toevallig in. In zijn half duistere kantoor blijken alle tafels en stoelen bedolven onder boeken en papieren. Af en toe klopt iemand aan, om een handtekening, met een dossier of een formulier. Outers subsidieert Franstalige uitgevers en schrijvers; ieder jaar koopt zijn afdeling ongeveer 40.000 boeken, die aan buitenlandse universiteiten worden geschonken waar Franstalige literatuur wordt gedoceerd. Outers negeert de aankloppers - hij wacht tot de deur weer sluit, en hervat z'n betoog.

Onwillekeurig denk ik aan Carl, de hoofdpersoon uit Keurslijf, een boven het leven zwevende figuur, die z'n omgeving gelaten ironiseert. Voor dat boek kreeg hij de Prix Rossol, een literaire onderscheiding van het dagblad Le Soir. Zijn eerste boek De Orde van de Dag werd lovend ontvangen en meteen verfilmd. “Gogol in Brussel”, meende het weekblad Knack. In beide boeken is de held een ambtenaar, die de weerzin van zich probeert af te schrijven in een satirische roman.

Outers is, noodgedwongen, een kenner van het byzantijnse Belgische overheidsapparaat. Als hoofd van de 'Direction du Livre et des Lettres' bij de regering van de Franse Gemeenschap onderhoudt hij contacten met de Waalse regering in Namen, de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de Vlaamse regering en de Nationale Belgische Regering.

In beide herkenbaar Belgische boeken beschrijft Outers de Brusselse speculatiewoede, het bizarre 'dagjesmelken' der ambtenaren en de uitwassen van het gepolitiseerde overheidsapparaat. De ambtenaar stelt hij voor als het slachtoffer van een fatale vervreemding: voor het leven benoemd en daarmee tot een kantoor-dood veroordeeld. Beide hoofdfiguren proberen aan hun incognito bestaan te ontkomen. Het zijn vrij melancholieke werken, die ik moeilijk kan rijmen met de intensief pratende figuur die tegenover me zit.

Outers (1949) komt uit een van de Vlaamse voorsteden van Brussel, waar de Franstaligen eigen 'taalfaciliteiten' hebben, bijvoorbeeld het recht op tweetalige ambtenaren. Tot de lagere school sprak hij ook vloeiend Vlaams “hetgeen iets heel anders bleek te zijn dan het Nederlands van de klassieke literatuur”. Hij zegt het Vlaams niet meer te kunnen spreken, maar nog wel te verstaan. “Zij het op een laag niveau”. Bij vergaderingen met Vlamingen spreekt ieder de eigen taal, “uit wederzijds respect”.

Lucien Outers, zijn vader, was een leidende figuur in het Front Démocratique des Francophones, een Brusselse taalpartij die niet bekend stond om haar tolerantie voor Vlamingen. “Ik heb een zeer Franse opvoeding gehad. Mijn ouders kwamen uit de omgeving van Luik, dat zeer naar Frankrijk neigt. Onze opvoeding was gebaseerd op het concept van de culturele wortels - ieder leeft naar zijn eigen culturele oorsprong. Mijn vader heeft ons grote afkeer bijgebracht voor het idee van de 'melting pot' waarin niemand meer zichzelf is. Iedereen spreekt en eet hetzelfde”.

Het moderne Brussel bekijkt hij door die bril. “Brussel heeft noch een Nederlandse noch een Franstalige identiteit, maar straalt als een compromis een algemeen kosmopolitisme uit. Dat veegt ieders echte Ik weg. Kijk naar de reclame, de opkomst van het Engels in de bioscopen. Vreselijk! Ik ben gelukkig nog opgevoed in de Version Originale.”

Stoort het Vlaamse nationalisme u?

“Die muur die door de Vlamingen in dit land wordt opgetrokken doet me pijn. De kloof wordt steeds dieper. België is het enige land ter wereld met een interne taalgrens; daar maken de Vlamingen nu een staatsgrens van. Dat hindert me bijzonder. We hebben een culturele geschiedenis met de Nederlandstaligen gemeen die van groot belang is. Maar er is al nauwelijks meer contact tussen de instellingen; de Franse Gemeenschap heeft culturele akkoorden met de halve wereld, tot Hongarije toe, maar niet met Vlaanderen. Dat is de krankzinnigheid ten top. Informeel doe ik wel eens wat samen met mijn Vlaamse counterpart, maar dat gaat tegen de stroom in. Ik bewonder juist veel Nederlandstalige auteurs. Mijn kinderen leren ook Nederlands op school”.

Zijn uw eigen wortels Belgisch, Brussels of Waals?

“Ik voel me geen Belg, maar eerst en vooral een Europeaan. België is een bufferstaat, een Etat-Tampon. De grootmachten wilden na Waterloo niet dat dit gebied een Franse of een Duitse onderneming werd en dus werd het België. Het is geen natie en kent ook geen Belgische identiteit. Alleen aan het einde van de 19de eeuw was er een korte periode waarin een Belgische identiteit leek te groeien. Er was toen een grote rijkdom in de kunst en de economie; alle grote stromingen vonden hier weerklank. Het symbolisme in de schilderkunst, de art nouveau in de architectuur; de literatuur bloeide enorm. Men sprak toen van l'âme Belge - de Belgische geest. Dat is allang afgelopen. Als u nu Belgische auteurs leest, dan hebben die allemaal een grote afkeer van België. Als een land dat niet bestaat, dat de intellectuelen minacht, dat onverschillig is. Je proeft wanhoop, fatalisme en pure aversie.”

Toch kan afkeer ook een vruchtbare bron zijn, zie ik in uw boeken.

“Belgische schrijvers herkennen zich hooguit in België als 'no man's land'. Dat trekt mij ook zeer aan. We hebben hier niets te verdedigen. Geen Grote Bestemming, of roemrijke Geschiedenis, zoals de Britten of de Fransen. Dat is soms onhandig, maar vaak een voordeel. We zitten hier in de periferie en dat betekent dat we vrij uitzicht hebben. Hier kan ieder zijn eigen stem ontdekken. Hier moet je je eigen stem ontdekken om gehoord te worden. Dat geldt voor meer kleine landen, ook voor Nederland. Een auteur als Cees Nooteboom heeft een onpartijdige blik. Hij kan met humor en begrip een oordeel vellen. Dat karakteriseert ook de Vlaamse en Franstalige Belgische auteurs - een onthechte, bijtende, satirische, subversieve blik. Kijk maar naar Hugo Claus. Er is ook vaker sprake van een zekere radicaliteit.”

De Belgische literatuur is een commentaar op de Europese omgeving?

“Ja, we leven hier in een poreuze omgeving. Traditioneel zijn we hier zeer open ten op zichte van Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje. Een schrijver als Pierre Mertens wendt zich tot Duitsland en Oostenrijk. René Kalisky, Dominique Rolin en Marie Gevers tot Italië. Net als de Nederlandse auteurs zijn ook de Franstaligen reizigers. Alleen zo valt de Franstalige Belgische literatuur te begrijpen. Vergelijk België in dat opzicht met Polen, ook zo'n historisch slagveld, of met Ierland dat literair ook floreert naast een groot buurland.”

Wat bedoelt u eigenlijk met de 'radicaliteit' in de Belgische kunst?

“Het bizarre, het fantastische, het 'corrosieve' doet het hier goed. Het eerste belangrijke Belgische boek was van Charles de Coster, Légende d'Ulenspiegel uit 1867. Dat was een Don Quichot-achtig verhaal over de revolte tegen de Spaanse bezetter: daaruit sprak verzet, een zoeken naar identiteit. Een carnavalesk, absurd verhaal dat al een eigen atmosfeer had.

Dat is doorgegaan; ontwikkelingen elders werden hier overgenomen en versterkt. Als je het Franse surrealisme vergelijkt met het Belgische dan is dat hier radicaler van toon geweest: in de beeldende kunst had je René Magritte, Pierre Alechinsky. Het symbolisme bij Verhaeren, Maeterlinck, Rodenbach was héél anders dan bij Rimbaud of Verlaine. Begin deze eeuw werden Horta en Hankar met hun vorm van Art Nouveau-architectuur beroemd. Hetzelfde gold voor Ensor en Van Rysselberghe in de schilderkunst. Cobra, dadaïsme, surrealisme - spontane en anti-dogmatische kunstuitingen deden het hier traditioneel goed.''

Waarom noemt u zich Europeaan en geen Waal?

“Wallonië omvat drie miljoen inwoners, aan de rand van Frankrijk en Nederland. Brussel, met bijna een miljoen Franstaligen, maakt daar helemaal geen deel van uit. De Walen nemen de Brusselaars hun rijkdom en macht kwalijk. De politiek, de economie, Europa; alles zit in Brussel. De Brusselaars vinden de Walen kleinsteeds. Dat zijn gescheiden werelden. Van een Waalse natie is ook geen sprake.

“Ik geloof juist sterk in de Europese identiteit. Dan bedoel ik niet de politieke soap-opera die hier wordt opgevoerd, de Europese Natie, de 'zuurkool à la Bolognaise' die hier wordt gefabriceerd. Ik doel op de terugkeer naar de bronnen van de beschaving, van de kunst en de literatuur. Dat is waar Europa uit bestaat: de kunsten, de steden-architectuur, de literaire erfenis die om ons heen ligt. Dat is voor mij m'n identiteit.”

Mag ik u Fransman in ballingschap noemen?

“Ik voel me zeer verwant met Frankrijk. De Franse taal verenigt ons - maar dan doel ik ook op Quebec en Afrika. Wij kleine landen begrijpen dat onze literatuur zonder Frankrijk niet zou bestaan. Parijs geeft de toon aan met z'n literaire prijzen, z'n uitgaven. Wie gelezen wil worden, wende zich tot Frankrijk. Maar dat geldt ook voor Vlaamse auteurs. Die kunnen niet zonder Nederland bestaan.”

Hebben de Walen jegens Frankrijk niet de zelfde ongemakkelijke gevoelens als de Vlamingen jegens Nederland - de vrees te worden overgenomen?

“In Vlaanderen wordt een barrière opgeworpen ter bescherming van de Vlaamse taal. Dat leidt tot idiote toestanden. In de Vlaamse voorsteden van Brussel is het uitzenden van de Franstalige Brusselse tv onlangs verboden. Terwijl iedereen daar allang naar de Engelse of de Italiaanse tv kan kijken! Dat sentiment komt recht uit de Middeleeuwen. Vervolgens bestaat er het idee dat Vlaanderen Wallonië financieel in leven houdt. Wat je daarover in de Vlaamse kranten leest, is ongelooflijk. Terwijl een staat toch op solidariteit is gebaseerd: je moet elkaar helpen. Doe je dat niet, dan bestaat die Staat niet meer. Het grote gevaar in Vlaanderen is de gettoïsatie. Dat richt zich ook tegen Nederlanders, die ervan worden verdacht Vlaanderen over te willen nemen.

“De Waalse houding jegens Frankrijk is minstens even gecompliceerd. De regio Luik is sterk pro-Frans en quasi-onafhankelijk tegelijk. Ze vieren daar nota bene 14 juli. Dan is er nog het platteland van Wallonië. Daar is men eerder in zichzelf besloten, wantrouwend, bevreesd voor de grote Franse broer die alles verplettert. Ik neem zelf een tussenpositie in. Ik wil deel van Brussel en Wallonië blijven uitmaken. Ik droom er helemaal niet van om in Parijs te wonen. Mijn land, mijn wortels zijn hier. Ik kan Frankrijk niet ontkennen, ik kan ook niet zonder Frankrijk leven. Onze redding is een permanent gaan en komen naar Frankrijk.”

De Fransen maken dezelfde grappen over de Walen als de Hollanders over de Belgen.

“Men zegt dat de Fransen de Walen minachten. Ik geef toe, Coluche placht te zeggen dat de 'Belg de laatste der idioten was'. Maar dat is typisch Parijs. Ik word er gewoon behandeld. Alsof ik uit een Franse provincie kom. De mentaliteit is wel aan het veranderen. Er is nu kritiek van binnenuit op het verstikkende centralisme van Parijs. De hele Franse cultuur werd historisch altijd al gemaakt in de regio Parijs. Maar nu werkt de hoofdstad eerder als een demper. Om te overleven moet Parijs zich openstellen voor de periferie - dat is te merken aan de literaire prijzen die nu veel vaker naar niet-Fransen gaan. De Fransen openen zich en daar proberen wij flink bij te helpen. Hier in Wallonië zijn er natuurlijk die dat 'culturele herovering' noemen, maar ik zie het vooral als een kans om onze identiteit te herbevestigen.”

Hoeveel uitgevers zijn er eigenlijk in Brussel?

“Honderdtwintig, allen afhankelijk van de export. Slechts drie procent van de omzet is literatuur. In Frankrijk is dat twintig procent. Meer dan de helft van de Belgische omzet omvat jeugdboeken en vooral strips. Daar heb je het weer: België is goed in de kleine, meer fantasierijke genres. Hergé, de auteur van Tintin, is één van onze grootste schrijvers, net als Georges Simenon in de policiers.”

Onderscheidt het Franstalige kunstleven in België zich van het Vlaamse?

“Artistiek is België een rijk land, aan beide zijden van de taalgrens. Traditioneel is in Vlaanderen natuurlijk de schilderkunst van groot gewicht en de literatuur. De officiële taal was Frans, dus een Vlaamse auteurs als Charles de Coster schreef over Thyl l'Espiègle in het Frans. Ook de enige Belgische Nobelprijswinnaar (1911) Maeterlinck schreef in het Frans. Prozaschrijvers als Rodenbach en Van Lerberghe en de dichter Max Elskamp idem dito. Ik ben zeer trots op de grote traditie van die literatuur; het leeft voort in de jonge Franstalige auteurs van vandaag. Ik noem Eugène Savitzkaya, Francis Dannemark, Amélie Nothomb. Ook in de toneel literatuur is de levendigheid enorm. Dit theaterseizoen worden er in Brussel twintig Belgische auteurs opgevoerd. Als je dat vergelijkt met een even groot gebied als de streek Pas-de-Calais/Noord-Frankrijk, waar ook vier miljoen mensen wonen, dan zie ik dat niet.

“Vlaanderen is vooraanstaand in de visuele kunsten. De beeldend kunstenaar Jan Fabre, de choreografen Anne Teresa De Keersmaeker en Wim Vandekeybus. Dat zijn mijn absolute favorieten. De Vlaamse cinéma is een echte nationale kunstvorm - een film als Daens is een door en door Vlaamse film. De Franstalige cinéma heeft daarmee vergeleken zeer weinig identiteit. Aan de films van André Delvaux is geen Belgische traditie af te zien: die zijn Europees, Franstalig. Vlaanderen kun je vergelijken met Québec, waar de kunst ook tot de nationale identiteit bijdraagt. Belgisch-Franstalige kunst gaat eerder op in de algemene Franstalige cultuur”.

    • Folkert Jensma