Haardpop te koop; De praktijk van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud

Het Deltaplan voor het Cultuurbehoud werd drie jaar geleden in het leven geroepen om het nationale culturele erfgoed voor verder verval te behoeden. Met het plan is in de museumwereld het tij gekeerd. Na twee decennia waarin aankopen en tentoonstellen prioriteit hadden, is er nu weer aandacht voor het behoud van de collecties. Maar ook het verkopen van museumbezit is niet langer taboe. Begin december beslist de Tweede kamer over de voortzetting van het plan.

Toen de Russen nog zouden komen lagen er tonnen medicijnen voor ons klaar in vier reusachtige loodsen in 's Gravenzande. Nu komen de Russen niet meer en zijn de medicijnen weggehaald. In loods 1 vouwen vier behoudsmedewerkers van het Rijksmuseum voor Volkenkunde bubbeltjesplastic op. Een ex-chemisch analist, een ex-lerares handenarbeid, een ex-educatief medewerker uit Leiden en een schoolverlater uit 's Gravenzande vullen samen met een restaurateur de geklimatiseerde loodsen met duizenden schoon te maken voorwerpen uit de afgekeurde depots van het museum in Leiden.

In de huizenhoge stellingen achterin loods 1 ligt al een deel van de 53.000 voorwerpen tellende Indonesië-collectie. Vijf planken vol Molukse bouwseltjes van kruidnagelen: laat negentiende-eeuwse souvenirs, vervaardigd voor de Westerse markt. Er zweemt nog een flauwe zoete geur om de miniatuur-driemaster en de namaak-theeserviezen. Verderop liggen tientallen vrolijk gekleurde ceremoniële parasols naast honderden Javaanse krissen, van zeer eenvoudige tot rijk bewerkte.

Het Rijksmuseum voor Volkenkunde heeft de grootste behoudsachterstand weg te werken van alle zeventien rijksmusea. Het museum huist in een ziekenhuis uit de late negentiende eeuw. De depots in de kelder waren vochtig en vol schimmel, die op zolder 's zomers droog en heet. Ook interne verhuizingen en een schreeuwend gebrek aan opslagruimte brachten delen van de collectie in gevaar. In 1988 sprak het rapport van de Algemene Rekenkamer over het reilen en zeilen van de rijksmusea schande van de bewaaromstandigheden, niet alleen in Leiden, maar ook bij veel andere rijksmusea.

De negatieve conclusie van de rekenkamer was voor de minister van WVC in 1990 een van de aanleidingen om het 'Deltaplan voor het cultuurbehoud' in het leven te roepen. Het Deltaplan zou allereerst onderzoeken in welke staat ons culturele erfgoed, bewaard in musea, archieven, in de grond (het archeologisch 'bodemarchief') en op straat, verkeerde. Dat het er hier en daar slecht voorstond was al langer bekend. Hoe slecht bleek een paar maanden later, toen de kosten voor het inlopen van de achterstand werden geraamd op 1 miljard gulden.

Er werd een 'plan van aanpak' gemaakt om de grootste achterstanden voor de eeuwwisseling weg te kunnen werken. Tot en met 1996 stelde de minister 235 miljoen gulden beschikbaar. Daarvan gaat 69 miljoen gulden naar de rijksmusea en 35 miljoen gulden naar de overige musea. De rijksmusea, nu nog rijksdiensten, doen allemaal mee en hebben hulp gekregen van WVC bij het opstellen van hun plannen. De overheid was ook wel verplicht om een groot deel van de achterstanden weg te werken, voordat de rijksmusea vanaf volgend jaar zelfstandig worden. Zo moet bijvoorbeeld hun collectie-administratie tegen die tijd op peil zijn. De overige musea kunnen aan het Deltaplan meedoen als ze dat zelf nodig vinden.

Hoe het geld tot nu toe is besteed zal eind november te lezen zijn in een schriftelijke, 'tussentijdse' evaluatie van het ministerie. Daaruit zal blijken dat het wegwerken van de achterstanden tot nu toe naar tevredenheid verloopt, hoewel met name in het bouwkundig programma achterstanden zijn opgelopen. Op 4 november publiceert bovendien de Algemene Rekenkamer het resultaat van een eigen, onafhankelijk onderzoek, 'Cultuurbehoud', naar de uitwerking van het Deltaplan, waarin zij kritische opmerkingen zal maken over de volgens haar te weinig planmatige aanpak van WVC. Begin december beslist de Tweede Kamer of en hoe het Deltaplan na 1996 moet doorgaan.

Schoonmaakoperatie

Dankzij het Deltaplan kon in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in 1991, met tien miljoen gulden steun van WVC en vijf miljoen eigen bijdrage, een grootscheepse schoonmaakoperatie van start gaan. In 1996 moet alles klaar zijn: alle 200.000 objecten geregistreerd in de computer, gefotografeerd en op beeldplaat vastgelegd, van stof en insekten ontdaan en verantwoord opgeborgen in nieuwe depots. Daarvoor trok het museum tijdelijk vijftig extra medewerkers en vrijwilligers aan. Het gebouw zal ingrijpend worden aangepast.

Voor Steven Engelsman, directeur van het museum, is dit pas het begin: “Eind 1996 zijn de bewaaromstandigheden goed en is onze registratie op peil. Maar dan staat ons nog driekwart van het karwei te wachten: de actieve conservering.” Ofwel het voor verder verval behoeden van elk voorwerp apart, bijvoorbeeld door verfschilfers vast te zetten. “Er moet dus nog heel veel geld bij na 1996.”

De maatregelen die musea uitvoeren met Deltaplan-gelden lopen zeer uiteen, zowel bij de rijks- als bij de overige musea. Het Frans Halsmuseum conserveert bijvoorbeeld zijn achttiende-eeuwse poppenhuis en verbetert licht en klimaat in zijn depots; het archeologische Museum Kam in Nijmegen conserveert zijn bronscollectie. Het Utrechtse Catharijneconvent geeft prioriteit aan het maken van goed geoutilleerde depotruimte. Bij het Rijksmuseum worden duizenden tekeningen en prenten opgezet op zuurvrij karton en zijn er conserveringsprojecten voor bijna elk collectieonderdeel, uit te voeren in de eigen restauratieateliers. In het Mauritshuis in Den Haag bestaan slechts kleine achterstanden op het gebied van schilderijen en lijsten.

Categoriseren

Als beleidsmatig nieuwtje verplichtte de minister in het Deltaplan de rijksmusea tot het categoriseren van hun voorwerpen in een aflopende schaal van A (van nationaal belang) tot D (hoort niet in het museum thuis). Voor de overige musea is categorisering een voorwaarde voor het verkrijgen van subsidie. Deze eis was nodig om prioriteiten te kunnen stellen en zo de kosten van het Deltaplan te kunnen beperken. Omdat de minister geen miljard te verdelen had, besloot zij geen geld te geven voor restauratie, maar alleen voor de actieve conservering - het stabiliseren van de toestand - van objecten uit de categorieën A en B. Bovendien kwam er geld voor het verbeteren van de bewaaromstandigheden voor de categorieën A, B en C, zoals de klimatisering van depots.

De categorisering zou ook kunnen helpen bij selecties. Want om het onderhoud in de toekomst financieel beter bij te kunnen houden, dacht de minister, zou je sommige collecties best wat kunnen uitdunnen. Door delen elders in bruikleen te geven, weg te gooien of te verkopen.

Het Rijksmuseum voor Volkenkunde zegt, net als alle andere rijksmusea, dat het voornamelijk A, B en C- voorwerpen bezit, die niet voor opruiming in aanmerking komen. Slechts een procent van het totale rijksmuseale bezit zou in de categorie D vallen. Engelsman wil pas in een later stadium serieus over selectie nadenken. “Pas in 1997 weten we wat we in huis hebben. Dan hebben we alles in onze handen gehad. “Hoeveel we dan gaan deselecteren weet ik niet. Het zou weleens kunnen blijken dat de moeite die je moet doen om te bepalen wat je gaat weggooien, vele maten groter is dan de winst die je boekt.”

Engelsman is wel blij dat de categorisering is ingevoerd. Tien jaar geleden haalde geen museumdirecteur het nog in zijn hoofd om te spreken over het verkopen of zelfs maar het in langdurig bruikleen geven van forse delen van zijn collectie. Door alle discussies is men er anders over gaan denken. Afstoten van nooit tentoongestelde stukken is nu een reële mogelijkheid geworden.

Glimmende dingetjes

Een van de mensen die enthousiast hebben meegewerkt aan het doorbreken van de taboes is Rik Vos, directeur van het Fries Museum in Leeuwarden en vice-voorzitter van de Nederlandse Museumvereniging. Hij wil door de depots van zijn museum voor Friese kunst en geschiedenis gráág de bezem halen. “Jarenlang hebben conservatoren alles maar naar binnen gesleept, al die mooie glimmende dingetjes die ze graag wilden hebben. Ze hebben te weinig keuzes gemaakt.” Zijn eigen collectie van 200.000 voorwerpen vindt hij te groot om er goed voor te kunnen zorgen, ook al wordt zijn museumoppervlak over anderhalf jaar verdubbeld dankzij de toevoeging van het zestiende-eeuwse kanselarijgebouw aan de overkant van de straat. Vos beschikt over meerdere depots en krijgt binnenkort extra ruimte in een kunstbunker in Drenthe. Maar zelfs dan is er nog teveel. En hoe minder je in huis hebt, hoe minder geld je hoeft uit te geven om het verantwoord te beheren.

Het Fries Museum is een van de grotere aanvragers van Deltaplangelden onder de niet-rijksmusea. Aanvankelijk, vertelt Stef Scholten, coördinator van de Deltaplanevaluatie bij WVC, kwam de stroom aanvragen uit die groep moeizaam op gang. Niet alleen omdat in veel kleine musea de mankracht ontbrak om doorwrochte plannen te schrijven, maar ook omdat de niet-rijksmusea hun Deltaplanconserveringen voor zestig procent zelf moeten bekostigen. Maar sinds ook de kosten van eerdere, zelf aangebrachte behoudsvoorzieningen mogen worden meegerekend en de mogelijkheden van het plan bekender worden, stijgt het aantal aanvragen snel. Dit jaar zal voor het eerst het gereserveerde bedrag van 6,3 miljoen gulden helemaal opgaan. Tot nu toe kwamen er zo'n 200 aanvragen binnen, waarvan er 150 zijn goedgekeurd. Daar zitten ook omvangrijke projecten bij van grote niet-rijksmusea met belangrijke collecties, zoals museum Boymans-van Beuningen, het Frans Halsmuseum en het Fries Museum.

Rik Vos had al een restauratieplan klaar liggen voor zijn schilderijenverzameling, waaronder de beroemde zestiende-eeuwse portretten van Friese edellieden door Adriaen van Cronenburg, toen het Deltaplan werd geboren. Hij herschreef het plan, diende het in en besloot twee jaar geen aankopen te doen, waarmee hij 70.000 gulden bespaarde. Met de 30.000 gulden van WVC erbij konden 160 schilderijen worden behandeld. Via eenzelfde regeling heeft hij een groot deel van de prentencollectie geconserveerd. Omdat zijn museum in het nieuwe gebouw veel voorzieningen treft voor optimale behoudsomstandigheden, kan ook daar weer een bijdrage van WVC tegenover staan, waarmee hij binnenkort zijn meubelcollectie wil aanpakken.

Friese doorlopers

De directeur geeft een rondleiding over de zolder van het museum. Tussen Hindelooper schommelwiegen en achttiende-eeuwse timmermanswerktuigen zwerven nog wat paren Friese doorlopers, hoewel de schaatsencollectie van het museum al een paar jaar geleden is verdeeld over diverse kleinere Friese musea. Ook Chinees porselein staat her en der opgestapeld. “15.000 stuks hebben we daarvan, een buitengewoon waardevolle collectie, miljoenen waard. Die gaat naar het Princessehof, hier vlakbij. Dat is gespecialiseerd in keramiek.” Honderden schoolplaten zijn reeds doorgegegeven aan het Rotterdamse Schoolmuseum.

Vos wil toe naar een depotcollectie met een hanteerbare omvang, die vooral dient om tentoonstellingen uit samen te stellen. Daarnaast wil hij ook voorwerpen bewaren die met elkaar samenhangen, zoals de meubelen uit de collectie Bisschop, een compleet negentiende-eeuws interieur, en stukken die niet geschikt zijn om te exposeren, maar wel waardevol zijn als studie-object.

Vos stuit op een achttiende-eeuwse haardpop, een levensgroot schilderij in de vorm van een meisje, die 's zomers als decoratie in de haard werd gezet. De verf staat in blazen op het paneel. “Dit schilderij is nog niet geconserveerd. We zullen er snel over moeten beslissen, anders hoeft het niet meer. Als we het niet doen - we hebben nogal wat haardpoppen - moeten we het maar gauw aan mensen aanbieden die er veel van zullen houden.” Bedoelt hij particulieren? “Ja, waarom niet? Mijn voorkeur gaat natuurlijk uit naar bruiklenen bij andere musea. Maar als daar geen liefhebbers zijn, kun je die dingen toch verkopen of ruilen met een kunsthandelaar voor iets dat je liever wilt hebben?” Volgens Vos is dat niets nieuws: er is altijd veel verwijderd uit museumdepots. Heeft hij zelf al kunstvoorwerpen verkocht? “Ja. Niet zoveel, want het museum heeft niet over alle objecten het volledige beschikkingsrecht. We hebben wat stukken porselein verkocht die wij nooit tentoonstellen en die het Princessehof ook niet wilde hebben. En een negentiende-eeuws schilderij van Leickert.” De opbrengst bedroeg in totaal enkele tienduizenden guldens en is gebruikt voor de verbetering van de collectie. Vos houdt een nauwkeurige documentatie bij van wat hij verkoopt. Op eigen initiatief, want anders dan bij de rijksmusea is er geen instantie die daarop toezicht houdt.

Verkoop van topstukken

Jan Piet Filedt Kok, directeur Behoud Beheer van het Rijksmuseum, geldt in de museumwereld als een van de meest uitgesproken tegenstanders van het op de markt brengen van museumbezit. “In Amerika wordt aan de lopende band museumbezit verkocht, maar dat zie ik hier niet zo snel gebeuren. Als het gaat om belangrijke stukken moet de Raad voor het Cultuurbeheer erover adviseren. Die heeft daar een commissie voor met mensen uit de hele museumwereld: die zijn zeer voorzichtig.”

Niettemin heeft de minister vorig jaar mei zelfs het verkopen van museumstukken uit de A-categorie toegestaan. Zolang de eigenaars maar een zorgvuldige procedure in acht nemen en de opbrengst gebruiken voor het verbeteren van de collectie. De naleving van deze voorwaarden kan de minister echter alleen afdwingen voor kunstvoorwerpen uit rijksbezit, zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten haar leden vorig jaar oktober nadrukkelijk meldde: “De beperkte gemeentelijke financiën,” schreef de VNG “(-) kunnen een gemeente er dan ook toe brengen om zich te ontdoen van een deel van het in haar bezit zijnde nationale culturele erfgoed ten gunste van andere noden en prioriteiten.” Het wachten is nu dus op het volgende gemeentebestuur dat een zwembad wil bouwen van zijn Mondriaan, of bibliotheekboeken wil kopen van zijn Van Goyens.

Met het Deltaplan is in de museumwereld het tij gekeerd. Na twee decennia waarin aankopen en tentoonstellen prioriteit hadden, is er nu weer aandacht voor het behoud. Filedt Kok: “We beseffen veel sterker dan voorheen dat er grenzen zijn aan de groei. De inspanningen voor het Deltaplan leggen een zware druk op de organisatie. In onze beleidsnota voor de jaren negentig schrijven we dan ook expliciet dat we onze aandacht zullen richten op de bestaande collectie en het behoud daarvan. We streven ook niet meer naar uitbreiding van het gebouw.” Het tijdperk van de mega-tentoonstellingen wordt in het Rijksmuseum daarom voorlopig afgesloten. De tentoonstelling Dageraad der Gouden eeuw, die in december open gaat en een overzicht zal bieden van het beste dat er omstreeks 1600 in Nederland aan kunst en kunstnijverheid werd geproduceerd, zal de laatste echt grote expositie in het Rijksmuseum zijn van de jaren negentig, voorspelt Filedt Kok.

Als gevolg van het Deltaplan is de laatste paar jaar het aantal langdurige bruiklenen tussen kunstmusea van alle niveau's duidelijk gestegen. Dat is een nieuwe ontwikkeling, waarmee iedereen blij is. De in 1990 ingevoerde ontheffing van verzekeringsplicht voor langdurige bruiklenen tussen rijksmusea en de belangrijkste gemeente- en provinciale musea, zal daar ook aan hebben bijgedragen. Wat in het ene museum in het depot staat, kan nu in een ander museum soms een ereplaats krijgen.

    • Kitty Kilian