Gebouwen dalen tegenwoordig neer aan parachutes; Architect Jo Coenen over de Nederlandse bouwkunst

Het is voor een architect niet makkelijk om het Architectuurinstituut te moeten ontwerpen, zegt Jo Coenen. “Iedereen kijkt over je schouder mee, daar word je zenuwachtig van en dat doet je ontwerp geen goed.” Ondanks deze handicap is hij toch tevreden over het resultaat. Maar over hoe er meestal in Nederland gebouwd wordt is hij minder te spreken.

Tentoonstelling: Jo Coenen, schetsen voor het gebouw van het Nederlands Architectuurinstituut. T/m 18 dec in Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam. Geopend: di t/m za 10-17 u, zo 11-17 u.

Jo Coenen (1949) vindt het niet erg dat het door hem ontworpen Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam de 'banaan' wordt genoemd. Integendeel, vertelt hij in zijn kantoor in het centrum van Maastricht, hij heeft de bijnaam tijdens een presentatie van het ontwerp zelf geïntroduceerd om de vorm van het kromme, langwerpige archiefgedeelte langs de Rochussenstraat te omschrijven. Het gebouw, dat vandaag officieel door de koningin wordt geopend, is museum, archief en studiecentrum tegelijk en heeft een bewogen ontstaansgeschiedenis. Nadat de ministeries WVC en VROM na lang touwtrekken hadden beslist dat het Architectuurinstituut niet in Amsterdam maar in Rotterdam moest worden gevestigd, werd in 1988 een meervoudige opdracht voor een ontwerp van een nieuw gebouw verstrekt aan de Nederlandse architecten Rem Koolhaas, Wim Quist, Jo Coenen, Hubert Jan Henket, Benthem & Crouwel en de Zwitser Luigi Snozzi. Coenen won, maar pas in januari 1992, een jaar later dan gepland, kon de bouw beginnen na allerlei budgettaire strubbelingen. Het gebouw, waarvoor het budget eerst was vastgesteld op 22 miljoen gulden, heeft uiteindelijk 33,5 miljoen gekost.

Aan opdrachten ontbreekt het Coenen niet en zijn bureau heeft dan ook vestigingen in Maastricht en Eindhoven. Na zijn afstuderen in 1975 aan de afdeling Bouwkunde van de Technische Universiteit in Eindhoven, hield hij zich eerst voornamelijk bezig met verbouwingen en uitbreidingen van winkels en woningen. Sinds hij in 1983 de opdracht kreeg voor de bibliotheek in zijn geboortestad Heerlen heeft hij onder meer het Stadskantoor in Delft, een hamburgerrestaurant in Almere, een collegezaal in Maastricht, kantoorgebouwen in Tilburg en Maastricht en een villa gebouwd. Nu is hij onder meer bezig met 6 grote stedebouwkundige projecten, waaronder het KNSM-eiland in Amsterdam en het Sphinx-Ceramique terrein in Maastricht. Van begin af aan heeft Coenen ook gedoceerd. Sinds 1987 is hij hoogleraar Gebäudelehre aan de Technische Universität in Karlsruhe.

U hebt eens gezegd dat architectuur pas onstaat uit het gevecht met de wetten van de ruimte, het licht en de beweging. Hoe is dat gevecht uitgevallen bij het Architectuurinstituut?

“Het gevecht was zwaar. De budgettaire beperkingen waren enorm, het gebouw is bij elkaar gespaard. Het oorspronkelijke budget was volgens alle uitgenodigde architecten te klein om het museum te bouwen. Aanvankelijk is er een miljoen door WVC bijgelegd, maar ook dat was nog te weinig. In een later stadium heeft het bestuur van het Architectuurinstituut allerlei sponsors gevonden. Op mijn beurt heb ik onderaannemers en leveranciers zover gekregen om bijvoorbeeld het meubilair voor de halve prijs te leveren. Ook is het gelukt om de speciale bakstenen voor minder geld te laten bakken. Toch was ik tijdens de bouw nog gedwongen beslissingen te nemen waarvan ik wist dat ze niet goed waren. Later kwam er dan weer wel geld om de puntjes op de i te zetten, maar daarmee konden de eerdere steekjes die ik moest laten vallen niet ongedaan worden gemaakt. Dat doet je geen deugd.

“Er was nog een andere, psychische aarzeling. Voor een architect is de opdracht voor een Architectuurinstituut de belangrijkste in 50 jaar, of in ieder geval de meest in het oog springende. Iedereen kijkt over je schouder mee, daar word je zenuwachtig van en dat doet je ontwerp geen goed. Je houding moet ontspannen zijn.

“Ondanks die beperkingen geloof ik dat het gevecht goed is uitgevallen, vooral in de afwisseling van ruimtes in het midden- en museumgedeelte. Ook de landschappelijke inbedding van het geheel vind ik geslaagd: het commentaar op de omringende gebouwen zoals Museum Boymans-van Beuningen; de vijver en het groen die aansluiten op het Museumpark; het langgerekte archiefgedeelte dat tegelijk een arcade is. De arcade vormt een grens, een doorwaadbare grens van het museumpark, en een mooie inleiding op het gebouw. Ook de pergola is een aanwinst, een signaal voor de mensen die van ver komen. Aan dit soort dingen besteed ik veel aandacht en ik ben blij als het lukt.”

Uw eerste tekeningen van het Architectuurinstituut, die nu op een tentoonstelling in het instituut zijn te zien, lijken helemaal niet op het uiteindelijke ontwerp. Wat is de functie van die eerste tekeningen?

“Het zijn associatieve tekeningen die heel spontaan worden gemaakt en nog niets te maken hebben met het realisme van de vierkante meters. Je bent zenuwachtig bij elke opdracht en je vraagt je af of je wel een idee kunt vinden. Dan zit je zaterdagmiddag gebogen over een blad en komen die krabbels op papier. In dit geval heb ik gedacht aan de drie steekwoorden die Ruud Brouwers van het Architectuurinstituut voor het nieuwe gebouw had gegeven: feestzaal, schatkamer en studievertrek. Ik heb een soort opengewerkte buik getekend van een walvis waarvan het geraamte bergplaatsen biedt. Met de toren en het materiaal van het naburige Museum Boymans-van Beuningen probeerde ik rekening te houden: het hoogste punt ervan is even hoog als de Boymanstoren en de kleuren sluiten aan bij de donkere bakstenen van het museum. En bovendien wordt in de tekeningen een looproute zichtbaar die door de stad Rotterdam werd gewenst. Met het gebouw wilde ik letterlijk de looplijn volgen, die de voetganger maakt vanuit het Museumpark naar de hoek van het Boymans-van Beuningen.

“Op het eerste gezicht is niets van die eerste tekeningen teruggekeerd in het uiteindelijke ontwerp, maar bij nader inzien alles. Het hoge punt is teruggekeerd in de pergola en het geraamte is het museumgebouw geworden, een gebouw met grote ruimten en allerlei hoeken waarin je je kunt verstoppen, zichtbaar en onzichtbaar worden. Ook het water en het groen, de materialen en de relatie met de omgeving, waren al in die eerste tekeningen aanwezig. Een van de belangrijkste opgaven van de huidige architectuur is het gestalte geven aan het openbare domein.”

U maakt zich zorgen over het openbare domein. Wat is er mis mee in Nederland?

“Tegenwoordig is het normaal dat gebouwen als aan parachutes neerdalen. Dan wordt er een gebouw neergezet met één entree, één balie, één controlepunt en dat is het dan. Je kunt ze alleen bereiken per auto. Dat het ene gebouw betrekking heeft op het andere, dat ze op elkaar reageren zoals in de oude stad, is haast niet meer denkbaar. Ieder trekt zich terug op zijn eigen perceel - dat wordt in de hand gewerkt door zowel de bouwvoorschriften en de eisen van bijvoorbeeld de brandweer als door de wensen van de opdrachtgevers. De ergste voorbeelden zijn natuurlijk de bedrijfsparken langs de snelweg, maar ook in de stadsvernieuwing in de oude binnensteden is veel mis gegaan. Ook daar heerst vaak kilheid.

“Ik steek daarom veel tijd in het vergaderen met degenen die de stad van morgen bouwen. Dat zijn niet de politici, ook al denken ze dat, en ook niet de stedebouwkundige diensten, maar de projectontwikkelaars en de beleggers. Bij hen zie ik de aarzelingen over iets dat de markt niet kent en een neiging on risico's uit te bannen. Dat valt ze niet kwalijk te nemen, vinden ze, zij zijn ten slotte de financiers. Ik beschouw het dan ook niet als een Pyrrhusoverwinning als het me lukt om gebouwen op elkaar af te stemmen en verbindingen en looproutes in de openbare ruimte te leggen. Dat zijn grote overwinningen die stukje bij beetje herstellen wat verloren is gegaan in de stad.”

U maakt zich ook sterk voor het herstel van de oude positie van de architect. Maar kan de architect in deze tijd nog wel een allesweter zijn?

“Bij het merendeel van degenen die beslissen in het bouwen heeft de mening postgevat dat de architect niet het hele bouwproces meer kan overzien. In de jaren vijftig en zestig, waar nu zo op wordt gescholden, waren er wel architecten die dit wel pretendeerden; en met recht. Architecten als D. Roosenburg, J.L.C. Choisy J.H.A. Bedaux, H.A. Maaskant en F.P.J. Peutz. Daarna zijn er paar legers over het bouwen heengeraasd. Het ene leger bestond uit de makelaars die later projectontwikkelaars werden en oog hadden en hebben voor vooral één ding: verkopen wat de markt wenst. Het andere werd gevormd door de bouwadviseurs die beweren dat het bouwen te ingewikkeld is geworden voor de architect en een deel van het het beroep hebben overgenomen. Als je nú wilt bouwen, moet je vergaderen met een gezelschap van 20 man.

“De resultaten van al die vergaderingen liegen er niet om. De dozen langs de snelwegen zijn de gemakkelijkste manier om te bouwen; alle betrokkenen kunnen het er snel over eens worden. De rol van de architect is die van 'esthetisch bewaker' geworden, hij mag een plaatje ontwerpen, een image. Met de indeling mag hij zich al nauwelijks bemoeien, want die moet zo flexibel mogelijk zijn. De constructie, de plaats van de elektra en de riolering, de werktuigbouwkundige zaken enzovoort zijn het domein van specialisten. Zo worden die gebouwen ook neergezet. Eerst komt er een ploegje dat de geveldragende structuren in elkaar zet: in een paar dagen worden die kantoorgebouwen in elkaar geschroefd. Dan zie je een tijdje vrijwel niemand meer, vervolgens komt een ploegje de puien erin hangen en de elektro- en warmtebuizen bevestigen en ten slotte komen de bouwvakkers die de vantevoren geverfde deuren en verlaagde plafonds erin zetten. Alles is overzichtelijk en gestandaardiseerd.

“Ik vind deze werkwijze slecht en kortzichtig. Al die vergaderingen kunnen geen produkten opleveren die geconcentreerd genoeg bedacht zijn. Daarvoor is een architect nodig, niet als allesweter maar wel als degene die alle disciplines bij elkaar brengt en weet wat de gevolgen van de verschillende specialistische beslissingen op het eindresultaat zijn. Ik zeg mijn studenten dat ze niet moeten denken dat ze een eenvoudige studie hebben gekozen. Architectuur is misschien wel moeilijker dan de moeilijkste tak van chirurgie. Maar dat is niets nieuws, dat kun je bij Vitruvius al lezen. Wat ik op het moment probeer is het oude beroep uit de kast te halen en op te poetsen.”

U zingt nu de lof op sommige architecten uit de jaren zestig. Toch hebt U zich verschillende keren laatdunkend uitgelaten over de toenmalige stedebouw.

“Er moest toen zoveel worden gebouwd dat mijns inziens architecten het overzicht hebben verloren. Ze hadden zoveel opdrachten dat ze al blij die af te krijgen. Er was weinig tijd om hun prototypes goed te testen. De gevolgen die dit voor de stedebouwkundige omgeving heeft gehad, zijn moeilijk te verteren. Mij treft vooral de desolaatheid, niet alleen van de buitenwijken maar ook van de ingrepen in de binnenstad.”

U hamert altijd op het belang van de traditie en wordt door verschillende critici daarom wel als postmodernist bestempeld. Dat is een bijzondere kwalificatie in Nederland. Voelt u zich een buitenbeentje?

“Ja. Dat komt door de interne spanning tussen het narratieve en het rationele in mijn werk. Ik heb een voorliefde voor beide begrippen. Misschien komt dat door mijn achtergrond. In mijn jeugd hebben de gebouwen van de mijnindustrie grote indruk op mij gemaakt, de prachtige betonnen skeletten en mijnschachten. Maar ook de kastelen en boerderijen die hun plek hebben in het landschap troffen me. Een gebouw moet wat mij betreft niet alleen aan een functie beantwoorden en constructief goed zijn, maar ook een toevoeging aan de omgeving zijn, iets dat in het geheugen beklijft.

“Ik ben in de loop der jaren voor van alles uitgemaakt, daar hecht ik weinig waarde aan. Maar je moet erg voorzichtig zijn met het begrip postmodernisme. Het postmodernisme is ontstaan uit de behoefte om af te komen van de standaardisatie, van de leegheid, de kilheid en de niet-mededeelzaamheid. Als reactie daarop begonnen architecten wereldwijd te putten uit de geschiedenis. Ook ik heb in de jaren tachtig veel tekeningen in die trant gemaakt, omdat ik het postmodernisme als begrip - dat de Bauhausstijl te beperkt is om steeds weer opnieuw te gebruiken - onderschrijf. Maar tegelijkertijd vind ik dat je met het postmodernisme als architectonische taal moet oppassen. Want die historische verwijzingen zijn slechts aardig als je ze de eerste keer ziet, bij de zevende keer komen ze over als een karikatuur.

“In Nederland heeft het postmodernisme nooit echt wortel geschoten. Dat heeft te maken met het grote verzet ertegen vanuit Bouwkunde in Delft, van architecten als Van Eyck en Hertzberger en hun volgelingen. Misschien is de ware reden de calvinistische opvatting, die verbiedt te zondigen tegen de eerlijkheid. In Nederland wordt op dit moment veel teruggegrepen op de modernistische architectuurtaal uit de jaren twintig en dertig. Dat ziet er op het eerste gezicht niet postmodern uit, maar is het natuurlijk net zo goed. De Nederlandse architectuur is mediterraan aan het worden: de schuine kap is uit de gratie, platte daken hebben nu altijd overstekken en het materiaal bestaat hoofdzakelijk uit stucwerk in pasteltinten. Ik geloof dat dit tijdelijk is, dat er sprake is van een mediterraan interregnum tussen de architectuur van de jaren zestig, waarvan men nu vindt dat ze niets bood, en iets dat de nieuwe Nederlandse architectuur zou kunnen worden. De eigenheid van Holland, die door Berlage, de Amsterdamse School en De Stijl werd uitgebuit, zou nog karakteristieker kunnen worden gebruikt. Pas geleden heb ik sociale woningbouw voltooid bij het Rijswijkse plein in Den Haag. Daarin heb ik slechts twee kleuren gebruikt: een klein stukje stucwerk, maar vooral metselwerk in een donkere tint zoals die voorkwam in de Schilderswijk. Verder de kozijnen in één kleur, wit, maar met veel tekening erin en ten slotte een sculpturale vormgeving van de gevel, niet te veel, maar repeterend. Dat was het dan: slechts vier componenten en een nieuw soort soberheid. Dat bedoel ik met de concentratie op Nederlandse gegevenheden.”