Frank Mandersloot

Galerie Fons Welters, Bloemstraat 140, Amsterdam. T/m 12 nov. Wo t/m za 13-18u, en eerste zo van de maand 14-17u. Prijzen: beelden 16.000 gulden, tekeningen 4.500 gulden.

Eén van de hoogtepunten op de Contourtentoonstelling in Delft, een overzicht van jonge Nederlandse kunst in 1987, was de presentatie van de toen 26-jarige beeldhouwer Frank Mandersloot. Met enkele 'meubelsculpturen' had hij een zeventiende-eeuwse zaal in het Prinsenhof naar zijn hand gezet. Een bed (hetzelfde bed waarin hij placht te slapen), een tafel, twee gekantelde stoelen in een soort kist creëerden een stemming van onbeschrijflijke melancholie. Sindsdien had Mandersloot verscheidene exposities in vooraanstaande musea, maar nooit troffen die mij zo diep als de zaal in Delft. Totdat ik vorige week zijn werk zag bij Fons Welters (zijn eerste presentatie in een galerie). Opnieuw heeft Mandersloot zich de ruimte volledig eigen gemaakt, en opnieuw heerst er die sfeer van melancholie en intimiteit.

Hoe die tot stand komt is nauwelijks te verklaren. De witte, rechthoekige galerie van Welters is ontbloot van iedere romantiek en heeft ook in andere opzichten niets gemeen met de zaal in Delft. De acht beelden die hij toont - waarvan zes nieuwe - zijn geheel zelfstandig en hij heeft ze heel sec neergezet, in twee rijen van vier.

Merkwaardige, weerbarstige beelden zijn het. Uiterlijke schoonheid en verleidelijkheid zijn er vreemd aan. Mandersloot verzaagt platen multiplex, voegt de delen samen tot (bijvoorbeeld) een tafel, verzaagt die weer, en maakt er opnieuw een tafel van. De 'reparaties' zijn onhandig uitgevoerd, met lijm en wigjes, alle naden blijven zichtbaar, met als resultaat een puzzel waaraan iedere logica ontbreekt.

Het is evident dat dit alles met veel aandacht en toewijding gebeurt, maar waar dient het toe? De naden en kieren, getuigen van verandering, hebben wel veel weg van littekens. Dat moet het zijn: deze beelden zijn metaforen voor het menselijk lichaam, voor het menselijk bestaan. Onhandig zijn ze, kwetsbaar.

In combinatie vertellen ze bovendien een verhaal over de mens, beginnend met een houten kinderbedje in een opengeklapte kist. Ernaast staat een tweepersoons ledikant. Het is bespannen met grauw linnen of jute, waardoor het ledikant het uiterlijk van een sarcofaag krijgt. Daarop volgt een stapel planken met een opgerolde lap van dezelfde ongebleekte stof: een soort brancard. En tenslotte zijn er twee stoelen binnen hun omraming: een interieur.

Er tegenover staan vier tafels op schragen, verschillend van karakter; zij verbeelden, lijkt mij, vier vormen van een werkzaam leven. En alles is doordrongen van weemoed, van verlangen, en ook van mededogen, als je het zo kunt noemen, met de hulpeloosheid van de menselijke soort.

De beelden van Mandersloot zijn niet anekdotisch, maar toch in staat iets te vertellen. Ze sluiten door hun vormtaal aan bij de minimal art, maar ontsnappen aan de autonomie, aan de vicieuze cirkel van het naar zichzelf verwijzen. Mandersloot levert daarmee een indringende kritiek op de moderne traditie.

    • Janneke Wesseling