Familie schenkt vier albums aan staat; Vroege foto's van Asser: nijverheid met kunstgevoel

De Rijksdienst Beeldende Kunst maakte gisteren bekend één van de vroegste Nederlandse fotografie-collecties te hebben verworven. Deze 'incunabelen' vormen de nalatenschap van de jurist Eduard Isaac Asser, uitvinder van het Procédé Asser.

ROTTERDAM, 29 OKT. Als een schooljongen, rechtop, braaf en aandachtig, zit hij op een houten keukenstoel. Hij kijkt ons aan met een opmerkelijk open vizier. Zijn handen houden elkaar onwennig gezelschap, ze weten blijkbaar niet goed raad met het nietsdoen. Dat korte moment lijkt hij op zijn qui vive, niet angstig maar nieuwsgierig, alsof straks rechts in de hoek, links van de toeschouwer, iets ongevaarlijks kan ontploffen dat nauwkeurige studie vereist.

Het moet 1855 zijn geweest - de fotografie was zo'n vijftien jaar oud - toen dit zelfportret op de keukenstoel tot stand kwam en de camera genoot nog een beetje de reputatie van een duivelse reageerbuis. We zien Eduard Isaac Asser (1809-1894), een van de weinige negentiende-eeuwse Nederlanders die echt iets voor de ontwikkeling van de fotografie heeft gedaan. Hij is namelijk de geschiedenis ingegaan als de uitvinder van de fotolithografie met overdrukpapier, het zogenaamde 'Procédé Asser', daterend uit 1858.

Maar net zo belangrijk als zijn geëxperimenteer met lenzen, licht, glas, papier en wat dies meer zij, is zijn eigen fotografie-collectie met portretten, zelfportretten, stillevens en prille stadsgezichten. Assers nazaten hebben onlangs de tijd rijp geacht om zijn vier albums met tweehonderd zoutdrukken en negen daguerreotypieën, aangeduid als “de incunabelen van de Nederlandse fotografie”, te schenken aan de Staat der Nederlanden. De Rijksdienst Beeldende Kunst in Den Haag heeft de opnamen, allen daterend uit de jaren 1845 tot 1857, in ontvangst genomen. Het Nationaal Foto-restauratie-atelier in Rotterdam zal ze restaureren en daarna komen ze waarschijnlijk in de kluizen van het Nederlands Foto Archief in Rotterdam terecht.

Asser, telg uit een juristenfamilie in Amsterdam en zelf ook werkzaam in de advocatuur, had mede dankzij zijn opvoeding een brede, culturele belangstelling. Hij schreef gedichten en toneelstukken, ging vaak naar het theater, en trad thuis ook zelf op als acteur en regisseur. Op jonge leeftijd kreeg hij al teken- en schilderles en als jongeman ging hij vervolgens in de leer bij Jan Adam Kruseman, die hem vooral het portretschilderen bijbracht. Dat hij talent had, blijkt uit het feit dat zijn doeken zowel in Den Haag als in Amsterdam voor tentoonstellingen geselecteerd werden en daar zelfs ooit een eervolle vermelding in de wacht sleepten.

Later is de schilder Asser als een natuurkundige aan de slag gegaan met allerhande chlorides, sulfaten, stijfsels en vernissen. De daguerreotypie was nauwelijks uitgevonden of hij tikte in Parijs de nodige apparatuur op de kop. Thuis, in de tuin en op de zolder van het zeventiende-eeuwse pand Singel 548 in Amsterdam, ontworpen door Vingboons, ontstaan eind jaren veertig en begin jaren vijftig, zijn vroege portretten van familieleden en vrienden, zoals dat van zijn zoontje Lodewijk, met hoed, kanten blouse en afgebiesd kostuumpje, en zijn piepkleine dochter Charlotte, met pijpenkrullen en gehuld in een kindvrouw-jurkje. Ze hebben zichtbaar niets van vader noch camera te vrezen.

De compositie van het beeld deed er nog niet veel toe. Asser besteedde aandacht aan kleding, houding en vooral de uitdrukking op het gezicht. In verschillende, gekunstelde gemoedstoestanden, zelf onder meer getiteld als 'Déclaration sincère' en 'Revenu à l'état normale', richtte hij ook de lens op zichzelf, bij wijze van fotografische autobiografie en fysiognomisch onderzoek. Hij was toen al van de daguerreotypie overgestapt op papieren negatieven, die later vervangen werden door glasplaten.

Standaardafmetingen kende Asser niet en in zijn thematiek is hij evenmin star gebleken. Want alles wat de zolder bood aan voorwerpen, van jacht-uitrusting tot speelgoed, kwam in aanmerking voor een overdadig stilleven. Ook wat hij vanuit het raam zag, zoals het torentje van de Munt en de ingang van de Reguliersbreestraat, leende zich voor een opname. Op reis naar Bennekom en Haarlem ging de camera mee, en als thuis zijn kinderen met hun vriendjes en vriendinnetjes, verkleed als karikaturen, een stukje opvoerden onder het lover, zorgde hij ook weer dat hij van de partij was.

Het is vermoedelijk aan de Franse hertog de Luynes te danken dat Asser zich meer is gaan verdiepen in de fotolithografie. Want de hertog loofde in 1856 een prijs uit voor een praktisch bruikbaar fotomechanisch procédé. Asser kwam tot een beeld van kaliumbichromaat, aangebracht op een vochtig, gestijfseld en inktvasthoudend papier, dat als drukvorm op een lithosteen kon worden overgebracht, om zodoende opnieuw als drukvorm te fungeren. Brusselse lithografen kochten voor België de rechten op en in de jaren zeventig van de vorige eeuw ging de firma Wegner en Mottu volgens het Procédé Asser te werk.

Voordat er ook maar sprake was van een auteursrecht, vroeg Asser zich in een publicatie af of “eene photographie door eenen anderen daargesteld, door de photographie mag vermenigvuldigen”. Pas in 1912 zou dat in Nederland wettelijk worden geregeld.

In datzelfde Tijdschrift voor Photographie schreef Asser: “Ik beschouw de photographie als een wetenschappelijken tak van nijverheid, die met meer of minder smaak, met meer of minder kunstgevoel kan uitgeoefend worden”. Uit de enkele afdrukken die nu ter inzage zijn, en uit een volledige catalagus die hopelijk binnen afzienbare tijd verschijnt, zal zonder twijfel blijken dat Asser zijn liefhebberij, want dat was het voor deze jurist, met een grote mate van smaak en kunstgevoel heeft vormgegeven.

    • Marianne Vermeijden