Een onschuldige dwerg zonder stinkende tenen; Eugene Savitzkaya over een kleine zoon

Eugène Savitzkaya: Marin mon coeur. Uitg. Minuit, 92 blz. Prijs ƒ 25,35

De Franstalige schrijver Eugène Savitzkaya (Luik 1955, schrijft onder de naam van zijn Russische moeder) wordt geboeid door de voortdurende verandering van de dode en levende natuur. In zijn teruggetrokken bestaan, ergens op het platteland in de buurt van Luik, heeft hij alleen oog voor bomen, bloemen, stenen, water en lucht, die hij met zijn elementaire, 'minerale' stijl ordent tot gedichten en korte romans. Hij leeft ver van de bewoonde wereld om zijn verwevenheid ermee beter te beleven. Wanneer zijn eerste kind geboren wordt, ontdekken vader en zoon, in de verwondering van 'het eerste aanschouwen', samen de onuitputtelijke weelde van de wereld.

In 1993 werd Savitzkaya's zevende roman Marin mon coeur bekroond met de Point de Mire-prijs van de RTBf, de Franstalige radio en televisie. Het boek gaat geheel over Marin, zijn oudste zoon. De moeder van Marin gaat overdag naar haar werk en het is zijn vader die op hem past. Om zijn eigen werkzaamheden - schrijven, de boomgaard en de moestuin verzorgen - niet teveel overhoop te halen, besluit Savitzkaya Marin te betrekken bij zijn bezigheden en over hem te schrijven. “Wij hebben hier de gewoonte om kinderen te ontvangen, dat wil zeggen dat we ze ter wereld brengen zoals men elders wilde olifanten vangt. (-) De kinderen die we altijd roepen met zachte woorden komen 's nachts of overdag ter wereld en volgen ons zonder dat we hun iets beloven. Eigenlijk volgen ze geen enkel gezang, geen enkele belofte, maar alleen het bedrog van de stilte, een bedrog waarvan wij ook het slachtoffer zijn geweest en tot in eeuwigheid zullen blijven.”

Met de liefdevolle toewijding van een entomoloog observeert hij hoe zijn olifantsjong in de valstrikken van de wereld loopt. En zo komt de gedachte van een boek over de eerste duizend dagen van Marin in hem op. Het wordt 'een roman in duizend hoofdstukken, waarvan negen tiende verloren is gegaan'.

Marin is de dwerg in een wereld van reuzen, een onschuldig wezen dat 'geen rauw vlees eet, niet naar knoflook of ui ruikt, in boeken bijt, geen stinkende tenen heeft, zich nergens over verbaast, niemand haat en door niemand gehaat wordt'. Uit water, lucht en aarde bouwt hij stukje bij beetje zijn eigen lichaam. Met zijn nagels krabt hij zijn gezicht open om er achter te komen wie het wezen is dat kijkt en dat hij nooit te zien krijgt, zelfs niet als hij zich snel omdraait. Zou het misschien in hem wonen? Net als de luchtkoning, die elke nacht in zijn ingewanden kruipt en hem de hik bezorgt omdat hij 's morgens niet meer langs de hamerende huig naar buiten durft? Of het mannetje dat op zijn tong geluidjes zit te maken?

Marin weet dat hij zijn hoofd alleen maar opzij hoeft te draaien om het badwater, waarin zijn haar, zijn handen en zijn benen drijven, helemaal op te drinken, totdat hij kaal en zonder armen of benen droog komt te liggen. Maar gelukkig kan hij, wanneer hij het wil, het water uitspugen om weer vlot te raken en een lachende, dartelende dolfijn te worden.

De wereld en het lichaam van Marin bestaan uit ontelbare kleine deeltjes die in elkaar overlopen en met elkaar vertrouwd zijn. Marin kent de wereld, hij weet dat melk het de drinker altijd kwalijk neemt dat deze hem heeft ingeslikt en daarom kribbig en wispelturig weer naar buiten komt. Hij weet dat de aarde overvloedig en broos is en er gewoon om vraagt om verslonden te worden, maar waar smaakt aarde naar? Hij weet dat vis smaakt als een bordje oorlelletjes, geraspte wang en neusschaafsel en dat je rijstkorrels alleen maar goed kunt tellen wanneer je ze één voor één weer uitspuugt. Water kan je niet vangen met je vingers, maar wel in een vingerhoed, voor zand gebruik je een lepeltje. Maar de lucht die je vangt met je mond, moet je meteen weer laten gaan, anders stik je. We zijn de gevangenen van de lucht, die ons omringt en vult. Marin speelt met de elementen en verzoent ze met elkaar. Hij ordent de wereld naar eigen goeddunken en gooit alles door het raam, want niets verdwijnt en 'een mooie bende is beter dan een levenloze orde'.

Marin mon coeur is geen boek over kleine kinderen of over vaderliefde. Savitzkaya gebruikt de situatie als voorwendsel, niet als onderwerp. Hij gaat ook niet op zoek naar het bekende 'kind dat in elke volwassene schuilt' of naar mythologische verwijzingen naar allerlei kosmogonieën. Naar eigen zeggen wilde Savitzkaya Marin niet uitbuiten, maar een speels boek over hem schrijven, omdat kinderen hem lyrisch stemmen en hem laten reizen in de wereld van zijn eigen kindertijd. En voor Savitzkaya zijn alleen deze reizen de moeite van het ondernemen waard.

In het spel van de dwerg en de reus heeft Marin alle rechten, hij verdeelt de rollen zoals hij dat wil. Het is de grootmoedige dwerg die de onhandige reus het voorrecht verleent om te worden zoals hij. Hij laat hem binnen in een fantastische wereld vol zuivere energie, een wereld waarin alle dingen worden ontbonden en herschapen in een nieuw organisch verband. Dat heeft Marin goed begrepen wanneer hij aan het einde van het boek op de po zit en zijn vader uit de wc commandeert. “Doe de deur dicht en vort!” De wereld is van hem.

    • Edith Klapwijk